Het college van B&W kan meewerken aan functieverandering, onder de voorwaarde dat er een goed inrichtingsplan is opgesteld door de initiatiefnemer. Een inrichtingsplan is een uitgewerkt ontwerp van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling op de locatie.
De gemeente toetst het inrichtingsplan op drie schaalniveaus:
landschap: aansluiting bij het gebiedstype (oeverwallen, dijkzone of de Woerdt);
kavel: positionering van de bebouwing en de beplanting;
bebouwing: vormen, materiaalgebruik en kleurstelling.
3.1 Landschap
Inpassing van nieuwe bebouwing wordt vanuit het landschap benaderd . Landschappelijke elementen zijn ‘leidend’ voor de ontwikkeling van bouwplannen. Het landschap is opgebouwd uit verschillende lijnen in de vorm van bijvoorbeeld kavelgrenzen, beplantingselementen, sloten en hoogteverschillen. De dijken en de oeverwallen vormen de belangrijkste structurerende elementen in het rivierengebied. Indien functieverandering plaatsvindt kan deze een bijdrage leveren aan de versterking van de oeverwallen en het vergroten van de openheid c.q. het versterken van doorzichten. Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld of het op deze plek noodzakelijk is om landschapsversterkende elementen aan te brengen en zo ja waaruit deze moeten bestaan. Te denken valt hierbij aan het herstellen van bijv. oude waterlopen, het aanbrengen van hagen/ houtwallen en laanbeplanting. Langs de dijken en de oeverwallen kan het landschap versterkt worden door het aanbrengen van bijvoorbeeld boomgaarden etc.
3.2 Kavel
Hoewel ook dit door de ligging van de kavel, de omvang en de vorm wordt bepaald, kan in het algemeen worden gesteld, dat het uitgangspunt is om de openheid van het gebied en de doorzichten te waarborgen. Hiervoor gelden de volgende richtlijnen:
bebouwing wordt haaks op de weg gesitueerd ter vergroting van de openheid;
nieuwe bebouwing wordt opgericht ter plaatse van te slopen opstallen, tenzij een andere positionering een grotere bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit bewerkstelligt;
compact en samenhangend erf;
bebouwing op erf moet in beginsel beperkter zijn dan op het oorspronkelijke erf;
bebouwing wordt niet in één lijn geprojecteerd, de rooilijn verspringt ten opzichte van bestaande bebouwing
in de basis één toegangsweg;
gebouwen moeten verwant zijn aan elkaar, hetgeen blijkt uit de zowel de plaatsing als de vormgeving;
opvallende terreinafscheidingen moeten worden voorkomen, geen muren. Erfafscheidingen met streekeigen opgaande soorten groen is een voorwaarde, bij voorkeur autochtoon. Uitheemse (bestaande of aan te planten) beplanting is niet toegestaan.
3.3 Bebouwing
Bebouwing in het buitengebied is vaak vanaf grote afstand zichtbaar. Bij deze zichtbaarheid vallen vooral de daken op. Gevels vallen door de aanwezigheid van beplanting en de relatie kleinere oppervlakte, minder op. Van groot belang in het buitengebied is de goothoogte van de bebouwing.
Uitgangspunt is dat gestreefd wordt naar behoud van karakteristieke en waardevolle boerderijen. Indien zo’n waardevol oud pand wordt gehandhaafd betekent dit dat in beginsel alle nieuwe bebouwing wat betreft positie op het erf en goothoogte ondergeschikt is aan de oude boerderij. Dit kan worden bereikt door het plaatsen van de nieuwe gebouwen achter of naast de oude boerderij, het hanteren van een lagere goothoogte (nokhoogte mag gelijk of hoger) en door het aanbrengen van beplanting.
In het algemeen gelden bij het toevoegen van nieuwe bebouwing de volgende uitgangspunten:
indien bebouwing op perceel van een waardevol te behouden pand wordt gesitueerd dient de nieuwbouw hierop af te worden gestemd en hieraan ondergeschikt te zijn;
heldere enkelvoudige hoofdvorm;
wisselende bouwvormen en dakvormen toegestaan;
een enkelvoudige hoofdvorm, geschakelde woningen zijn niet toegestaan;
nok- en goothoogte wordt bepaald aan de hand van de stedenbouwkundige situatie rekening houdend met de (voormalige) bedrijfswoning en de nok- en goothoogtes van omringende woningen. In de meeste situaties, sluit een woning met één of 1,5 bouwlaag met kap qua uitvoering het best aan op de omgeving;
een eenduidige bouwmassa, aanbouwen en uitbouwen zijn niet gewenst;
in geval van totale nieuwbouw is experimentele architectuur toegestaan;
tot slot worden in het bestemmingsplan aanvullende voorwaarden gesteld.
Van belang is dat de bebouwing zich op een natuurlijke wijze schikt in het landschap. Voorkomen moet dan ook worden dat iedere vrijkomende kavel op dezelfde wijze wordt ingevuld. Bovenstaande punten vormen het uitgangspunt voor de invulling, door de afwijking in kavel, vorm, de ligging van het perceel etc. zal de daadwerkelijke invulling van plek tot plek verschillen.
Bijhorende bouwhoogten
Woning bij 1 bouwlaag met kap:
Max goothoogte 3,5 meter
Max nokhoogte 8 meter
Bijgebouw:
max goot 3 meter
max nok 5 meter
Woning bij 1,5 bouwlaag met kap:
Max goothoogte 4,5 meter
Max nokhoogte 9 meter
Bijgebouw:
max goot 3 meter
max nok 5 meter
Voorbeelden
Tekening wordt op schaal aangeleverd.
Nummering dient toegelicht te worden in een legenda.
Bij beplanting aangeven of het reeds bestaande of nieuw aan te planten
beplanting betreft. Bij nieuwe aanplant, soort en aan te planten maat
benoemen. Bij aanleg toegangspad, materiaal en breedte weg benoemen.