Naar hoofdinhoud
a.. Indien en voor zover de onroerende zaak is gelegen aan een watergang waarop de keur van het waterschap van toepassing is, is de erfpachter gehouden deze voor zijn rekening te onderhouden overeenkomstig de alsdan geldende keur van het waterschap. Watergangen en duikers dienen in een zodanige staat te worden gehandhaafd dat de waterafvoer geen belemmeringen ondervindt, mogelijkerwijs inhoudende de verplichting dat onder meer de watergang tot aan het midden vrij te houden van overtollig baggerspecie, daarin drijvende of gezonken voorwerpen, kroos, flab en andere planten, alsmede onderhoud van de walkant en het gedogen dat er ten behoeve van onderhoud, aan de watergang, specie wordt gestort op de grond. b.. Jegens de gemeente neemt de erfpachter de verplichting op zich om een eventueel aan de watergang grenzende en op zijn onroerende zaak aanwezige beschoeiing voor zijn eigen rekening in stand te houden, te onderhouden en zonodig te vernieuwen. c.. Op lid b van dit artikel is het bepaalde in artikel 1.17 van toepassing, zodat deze verplichting als kettingbeding moet worden aangemerkt en gevestigd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel