Voor elk van de decentralisaties geldt het principe één gezin, één plan, één regisseur. Voor elk van de decentralisaties geldt dat er sprake is van het binnenkomen van een vraag (toegang), het analyseren van de vraag (analyse), het samen met de burger zoeken naar een oplossing en het eventueel doorverwijzen (verwijzing). Het proces is grotendeels gelijk, de inhoud verschilt. Door de processen zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen kunnen we de ondersteuning aan de burger verbeteren en zetten we onze middelen en capaciteit efficienter in.
We hanteren een integrale benadering als het gaat om de toegang tot hulp en ondersteuning om synergie te creëren en overlap te voorkomen. We gaan daarbij van de onderstaande “basisstructuur integrale toegang Oirschot” en de daarbij horende uitgangspunten.
Gezinnen en burgers kunnen te maken krijgen met vragen op het gebied van verschillende decentralisaties. Doelgroepen van de verschillende decentralisaties komen (deels) overeen. Tegelijkertijd hebben de decentralisaties (deels) betrekking op dezelfde leefgebieden van inwoners. We kiezen er daarom voor de toegang tot hulp en ondersteuning integraal vorm te geven (één gezin, één plan, één regisseur). Inwoners worden, ongeacht de aard van de vraag, op dezelfde manier geholpen. In de hiernavolgende “basisstructuur integrale toegang” beschrijven we hoe we hier lokaal vorm aan gaan geven.
Basisstructuur integrale toegang Oirschot
In het hiernaast staande schema geven we de basisstructuur weer van de integrale toegang voor inwoners van Oirschot bij hulp- en ondersteuningsvragen. We hanteren hierbij een integrale benadering; alle hulp- of ondersteuningsvragen komen via dezelfde kanalen binnen en worden op dezelfde manier opgepakt. Bij elke vraag vormt de mate van zelfredzaamheid de basis van het vervolg. We maken daarbij onderscheid tussen front- en backoffice. Onderdeel van het frontoffice is het brede generalistenteam waarin professionals vanuit zowel jeugd, Wmo als participatie zijn vertegenwoordigd.
Uitgangspunten bij basisstructuur integrale toegang Oirschot
Waar komt de vraag vandaan?
Hulp- of ondersteuningsvragen hebben altijd betrekking op een burger en/of gezin. In veel gevallen is het dan ook de burger of het gezin zelf die met de vraag bij de gemeente terecht komt. In sommige gevallen komt de vraag niet rechtstreeks vanuit de burger of gezin maar via een signaleerder bij de gemeente terecht. Signalering kan door iedereen plaatsvinden. Vaak gebeurt dit vanuit de sociale omgeving van burgers (familie, vrienden, mantelzorgers). We verwachten echter expliciet een signalerende rol van het maatschappelijke veld zoals scholen, kinderdagverblijven, buurtbeheer, peuterspeelzalen en (sport)verenigingen. We ondersteunen, stimuleren en versterken het maatschappelijk veld om deze rol te kunnen vervullen.
Vindplaatsen vormen in dit kader een belangrijke rol. Vindplaatsen zijn plaatsen/ locaties waar de doelgroep veelal aanwezig is en waar betrokkenen een signaalfunctie (kunnen) vervullen. Dit kunnen professionals (bijvoorbeeld jongerenwerk) maar ook vrijwilligers (bijvoorbeeld buurt- of sportverenigingen) zijn.
Vragen kunnen ook via huisartsen, praktijkondersteuners, GGD of jeugdartsen bij de gemeente terecht komen. Vragen die bij deze personen en organisaties terecht komen kunnen deels direct doorverwezen worden naar zorgaanbieders, zonder tussenkomst van de gemeente. Dit betreft de volgende hulpvragen:
Hulpvragen vanuit huisartsen naar GGZ
Hulpvragen vanuit AWBZ
Hulpvragen via medisch specialisten
Hulpvragen via jeugdarts
Hulpvragen via jeugdreclassering en jeugdbescherming (bij rechterlijke uitspraak)
Hulpvragen via advies en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK)
In het geval vragen rechtstreeks bij zorgaanbieders terecht komen, worden deze eerst terug geleid naar de gemeente (m.u.v. de hierboven uitgezonderde vragen).
Waar komt de vraag terecht?
Burgers kunnen met hun vragen op verschillende plaatsen en via verschillende kanalen bij de gemeente terecht:
Bijeenkomst maatschappelijke partners 10 april 2014:
“Versterking van vindplaatsen en inlooppunten is belangrijk: zorg voor een bekend gezicht waar mensen vragen aan durven stellen. Hulpvragen worden nu vaak te lang uitgesteld, onder andere door schaamte”.
Inlooppunten: plaatsen/ locaties waar de doelgroep veelal aanwezig is. Een generalist (uit het brede generalistenteam) is hier op structurele basis aanwezig om vragen van burgers te kunnen beantwoorden. Dit kunnen vragen zijn ten aanzien van alle gebieden, maar zullen logischerwijs meestal passen bij de locaties. De aanwezige generalist maakt een analyse van de vraag waarbij altijd aandacht is voor de mate van zelfredzaamheid. Bij eenvoudige vragen en voldoende zelfredzaamheid kunnen vragen direct opgelost worden (dit kan ook een verwijzing naar een aanbieder zijn). Bij complexe vragen of eenvoudige vragen waarbij de zelfredzaamheid onvoldoende (kwetsbare burger) is, vindt altijd een keukentafelgesprek plaats. Vooralsnog zien we scholen, kinderdagverblijven en peuterspeelzalen als vindplaatsen. We bekijken of het in de toekomst zinvol is om ook andere vindplaatsen als inlooppunt te benoemen. Hierbij denken we bijvoorbeeld aan verenigingen of verzorgings- en verpleeghuizen.
Bijeenkomst maatschappelijke partners 10 april 2014:
“Versterking van vindplaatsen en inlooppunten is belangrijk: zorg voor een bekend gezicht waar mensen vragen aan durven stellen. Hulpvragen worden nu vaak te lang uitgesteld, onder andere door schaamte”.
Loket: we gaan uit van één loket in de kern Oirschot als dé ingang voor alle hulpvragen van inwoners, signaleerders en derden. Dit betreft zowel een fysiek loket als een digitaal en telefonisch loket. Bij dit loket wordt een analyse gemaakt van de vraag waarbij altijd aandacht is voor de mate van zelfredzaamheid. Bij eenvoudige vragen en voldoende zelfredzaamheid kunnen vragen direct opgelost worden (dit kan ook een verwijzing naar een aanbieder zijn). Bij complexe vragen of eenvoudige vragen waarbij de zelfredzaamheid onvoldoende (kwetsbare burger) is, vindt altijd een keukentafelgesprek plaats. Het loket wordt vooralsnog niet bemensd door generalisten uit het generalistenteam. We bekijken in hoeverre dit op termijn eventueel wel nodig is.
Hoe wordt de vraag opgepakt?
Eenvoudige vragen bij voldoende zelfredzaamheid kunnen direct bij een inlooppunt of bij het loket opgelost worden. Bij complexere vragen of vragen van meer kwetsbare burgers wordt altijd een keukentafelgesprek gevoerd. Dit gesprek is bedoeld om de vraag te verhelderen, het beoogde resultaat van ondersteuning te formuleren in een ondersteuningsplan/ gezinsplan en de eventuele hulp of ondersteuning te regelen. Kennis en kunde omtrent vraagverheldering en “de vraag achter de vraag” bij generalisten en/of specialisten die het keukentafelgesprek voeren is daarbij essentieel. Keukentafelgesprekken vinden zoveel mogelijk in of dicht bij huis van de burger/ het gezin plaats. Bij elk keukentafelgesprek kijken we eerst naar de mogelijkheden die burgers zelf hebben (binnen hun eigen sociale netwerk en/of door gebruik te maken van algemene voorzieningen). Maatschappelijke inzet is altijd onderdeel van het gesprek.
Advies Wmo Adviesraad april 2014:
“Bij keukentafelgesprekken dient altijd aandacht te zijn voor de verschillen tussen inwoners. Er zijn generaties die zijn opgegroeid met het idee “niet zeuren, niet klagen, groot houden en de overheid gelijk geven”. Een keukentafelgesprek kan in dit geval (bij onvoldoende vraagverheldering) een verkeerd beeld geven van de cliënt. Er zijn ook andere voorbeelden, zoals personen met een lichte vorm van dementie, die mogelijkerwijs een verkeerd beeld van zichzelf kunnen geven. Dit kan leiden tot een verkeerd oordeel door de generalist/ specialist. Kennis en kunde omtrent vraagverheldering en “de vraag achter de vraag” is daarom essentieel!”
Keukentafelgesprekken worden in de meeste gevallen gevoerd door een generalist uit het brede generalistenteam (zie hieronder). Indien uit de eerste analyse van de vraag (bij inlooppunt of loket) blijkt dat de vraag dermate complex en/of specialistisch is, kan ervoor gekozen worden het keukentafelgesprek te laten voeren door een specialist uit het subregionale specialistenteam.
Wie pakt de vraag op?
Alle vragen die vanuit een keukentafelgesprek binnen komen (complexe vragen en vragen van meer kwetsbare burgers) worden opgepakt door een breed integraal generalistenteam (vaak ook wel wijkteam genoemd) of (in sommige gevallen) door het specialistenteam. Het generalistenteam is een lokaal team (werkzaam voor de hele gemeente Oirschot), bestaande uit een aantal generalisten die elk affiniteit hebben met een bepaald onderwerp. Zij zijn in staat, op basis van het keukentafelgesprek, een totale analyse van de hulpvraag te maken, ook buiten het eigen terrein. Het team bestaat uit een aantal generalisten op het brede terrein van jeugdhulp, één of meerdere generalisten op het terrein van de WMO en één of meerdere generalisten op het terrein van participatie/ sociale zaken. Generalisten stellen op basis van het keukentafelgesprek een ondersteuningsplan/ gezinsplan op waarin zij het eventuele vervolgtraject en de te behalen resultaten vastleggen. We werken met één integraal ondersteuningsplan per huishouden (individu of gezin). Dit ondersteuningsplan omvat alle acties op alle relevante leefdomeinen. Het plan is van de inwoner / het gezin, niet van de professional. In het plan gaan we uit van te behalen resultaten rond zelfredzaamheid en participatie op alle relevante leefdomeinen. Het plan is maatwerk. Maatschappelijke inzet is onderdeel van het plan. Er is ruimte voor creatieve oplossingen.
Klankbordgroep raad d.d. 15 januari 2014:
“Wijkteams vervullen een centrale rol. Zij moeten daadwerkelijk in de wijk aanwezig zijn. Dit hoeft niet altijd, maar in ieder geval op gezette tijden. Elke wijk is daarbij anders. Werk zoveel mogelijk wijkgericht en heb daarbij aandacht voor de verschillen tussen wijken en buurten”
Generalisten zijn, in ieder geval in de eerste fase (opbouwfase nieuwe basisstructuur 2015) afkomstig van of werkzaam bij de huidige maatschappelijke partners. Vooralsnog denken we hierbij, in ieder geval in de eerste fase, aan inhuur of detachering vanuit bestaande organisaties in plaats van het in dienst nemen van generalisten bij de gemeente. Er is sprake van een netwerkorganisatie. Vanzelfsprekend is het van belang dat generalisten, ondanks de verbinding met hun eigen (moeder)organisatie objectief en zonder belang vanuit de eigen organisatie kunnen kijken naar hulpvragen en deze kunnen analyseren. Om deze onafhankelijke blik te waarborgen is de generalist in ieder geval niet gebonden aan een organisatie die specialistische zorg levert. We denken vooralsnog aan de volgende invulling (functies) van het brede generalistenteam:
Daarnaast zullen bepaalde functies, zoals een leerplichtambtenaar en een wijkverpleegkundige op afroep bij het generalistenteam aansluiten. Over de inzet van wijkverpleegkundigen gaan we in gesprek met de zorgverzekeraars. We willen tot afstemming komen over zorg in de wijk en maatschappelijke ondersteuning, oftewel komen tot concrete afspraken over de afstemming en overlap tussen het medische en sociale domein.
Het team functioneert als één team en wordt aangestuurd door één coördinator onder verantwoordelijkheid van de gemeente (in dienst, inhuur, detachering). Intervisie, scholing en leren van elkaar staat in de opbouwfase centraal. Generalisten blijven hun eigen affiniteit hebben vanuit de moederorganisatie maar moeten, meer dan nu het geval is, de vraag breder (ook vanuit andere terreinen) kunnen analyseren. Dit betekent dat bijvoorbeeld een generalist vanuit het jeugdmaatschappelijk werk ook in staat moet zijn om (op hoofdlijnen) een hulpvraag op het gebied van Wmo en participatie moet kunnen analyseren. 5 De in de tabel beschreven functies zijn een voorlopige inschatting. Bij de verdere uitwerking en concretisering van de basisstructuur in de loop van 2014 kunnen deze functies en de concrete invulling van het team nog wijzigen.
We zien vooralsnog de volgende taken voor de generalisten uit het brede generalistenteam:
Openstaan voor en het ontvangen van hulpvragen van burgers en gezinnen;
Signalering van hulpvragen binnen het sociaal domein;
Het verhelderen van de vraag (keukentafelgesprek);
Het opstellen van een integraal ondersteuningsplan/ gezinsplan samen met de burger/het gezin;
Zelf ondersteuning bieden vanuit eigen expertise en competenties;
Een inschatting maken welke aanvullende (specialistische) ondersteuning noodzakelijk is en deze ‘invliegen’;
Verbinding leggen met het maatschappelijke veld en een advies- en consultfunctie vervullen (zichtbaar zijn / outreachend), onder andere op de huidige inlooppunten.
Wie is casemanager?
Elke hulpvraag vanuit een burger of een gezin kent één casemanager (één gezin, één plan, één regisseur). De functie van casemanager wordt ingevuld door een generalist uit het brede generalistenteam (in het geval een vraag wordt opgepakt in het generalistenteam) of een specialist (in het geval de vraag wordt opgepakt in het specialistenteam). Als een specialist de rol van casemanager oppakt, blijft er altijd een verbinding met het generalistenteam. Dit is de verantwoordelijk van de casemanager. De belangrijkste reden hiervoor is dat de kennis en ervaring van de specialist niet alleen bij de specialist blijft, maar gedeeld wordt met de generalist. Het generalistenteam krijgt hierdoor meer kennis, ervaring en grip op de grote verscheidenheid aan hulpvragen. Op termijn verwachten we dat hierdoor minder hulpvragen naar het specialistenteam doorverwezen worden.
Bijeenkomst maatschappelijke partners d.d. 10 april 2014:
“Als hulp niet meteen geboden kan worden en sprake is van een overbruggingsperiode, verlies burgers dan niet uit het oog. Hier ligt een belangrijke taak voor de casemanager!”
Er is altijd één casemanager per gezin/ huishouden die het proces blijvend volgt en de kaders bewaakt (inhoudelijk en financieel). Dit ligt vast in het ondersteuningsplan. Inwoners kunnen dus rekenen op één professional die het plan blijft volgen.
De betreffende generalist of specialist blijft casemanager totdat het traject is afgerond en de hulpvraag is beantwoord. Bij uitzonderingen kan deze functie ingevuld worden door een zorgaanbieder.
Wat gebeurt er is een hulpvraag niet binnen het generalistenteam kan worden opgepakt?
We zetten in op het verminderen van de instroom in de gespecialiseerde zorg en het bevorderen van de uitstroom. Goed toegeruste generalisten kunnen problemen in een vroeg stadium herkennen, zodat escalatie van problemen wordt voorkomen. Dit betekent dat zij (h)erkennen wanneer een hulpvraag de eigen mogelijkheden overstijgt of de veiligheid van jeugdigen in het geding is. Als dit meteen duidelijk is, moet snel worden overgeschakeld op de inzet van specialistische zorg of drang en dwang.
Specialisten worden alleen ingezet daar waar nodig. Generalistisch waar mogelijk en specialistisch waar nodig.
Als een hulpvraag dusdanig specialistisch is en/of de vraag het niveau (kennis en ervaring) van het generalistenteam overstijgt, wordt de hulpvraag overgeheveld naar het specialistenteam. Dit kan zijn na de eerste analyse van de vraag bij het loket of inlooppunt. Het keukentafelgesprek kan dan plaatsvinden door een specialist uit het specialistenteam. Dit kan ook zijn nadat het keukentafelgesprek is gevoerd door een generalist uit het brede generalistenteam. De vraag wordt dan overgeheveld/ opgeschaald naar het specialistenteam.
Het specialistenteam richt zich op de specialistische zorg voor burgers en gezinnen. Op het moment dat er sprake is van complexere problematiek en lichte lokale ondersteuning niet toereikend is, kan specialistische ondersteuning worden ingezet. Als het gaat om specialistische jeugdhulp betreft dit hulp aan jeugdigen met een verstandelijke beperking (jeugd-vb), begeleiding en verzorging van jeugdigen en gesloten jeugdhulp in het kader van ernstige opgroei- en opvoedproblemen. Ook wanneer ondersteuning buiten het gezin nodig is, bijvoorbeeld in het kader van dagbehandeling, behandeling met verblijf of pleegzorg, is het specialistenteam aan zet om te bepalen wat het gezin of de jeugdige nodig heeft. Bij de vormen van jeugdhulp die buiten het gezin (specialistisch) worden ingekocht staan het door het specialistenteam opgestelde ondersteuningsplan centraal. Dit betekent dat betrokken professionals en organisaties zich conformeren aan de concrete doelstellingen die hierin zijn opgesteld.
Wanneer er sprake is van veiligheidsrisico’s, geweld, mishandeling, misbruik of een acute crisis zal moeten worden samengewerkt met regionale instellingen. Deze samenwerking beschrijven we in 4.2.6.
We denken vooralsnog aan de volgende invulling (functies) van het specialistenteam: 6 De in de tabel beschreven functies zijn een voorlopige inschatting. Bij de verdere uitwerking en concretisering van de basisstructuur in de loop van 2014 kunnen deze functies en de concrete invulling van het team nog wijzigen.
Specialistische ondersteuning wordt minder vaak ingezet dan ondersteuning vanuit het generalistenteam. Het ligt daarom voor de hand om samen te werken met andere gemeenten. Subregionale samenwerking op de uitvoering van dit specialistenteam kan leiden tot een grotere efficiency waardoor de kosten beter beheersbaar blijven, daarnaast wordt de kwetsbaarheid van het specialistenteam verminderd omdat het team uit meer professionals kan bestaan. Door intervisie met meerdere specialisten kan de kwaliteit worden geborgd. Tot slot kan het zinvol zijn dat de specialisten buurgemeenten kennen. De leefwerelden van met name jongeren gaan over gemeentegrenzen heen, denk aan onderwijs. We kiezen er daarom voor om een subregionaal specialistenteam in te richten dat wordt aangestuurd door een gezamenlijk aangestelde teamcoördinator. De coördinatiefunctie kan ook worden ondergebracht bij één van de specialisten. We merken hierbij op dat we op dit moment in overleg zijn met de gemeenten Best en Veldhoven over de invulling van het subregionaal specialistenteam. In principe hebben alle drie de gemeenten aangegeven meerwaarde te zien in een subregionaal specialistenteam. Uit de verdere concrete uitwerking die de komende maanden plaats vindt moet blijken of een subregionaal team haalbaar is en zo ja, welke concrete afspraken we hierover maken.
Welke instrumenten gebruiken we?
We gebruiken een uniforme werkwijze en uniforme instrument(en) voor integrale vraagverheldering (keukentafelgesprek) en het maken van het ondersteuningsplan/ gezinsplan. Belangrijke elementen in dit ondersteuningsplan zijn:
Algemene persoonsinformatie
Hulpverleden
Sociale omgeving/ sociale netwerk
Signalen van welzijn/veiligheid
Mate van zelfredzaamheid
Doelen
Inzet hulp en ondersteuning
Risicotaxatie
We maken gebruik van de zelfredzaamheidsmatrix (zie paragraaf 4.2.2.). Met name bij de Wmo maken we gebruik van profielen en arrangementen. Vooralsnog maken we hier geen gebruik van als het gaat om jeugd en participatie.
Waar vindt de hulp en ondersteuning plaats?
Hulp en ondersteuning moet voor iedereen gemakkelijk en toegankelijk zijn, zowel voor de kleine vragen als voor grotere problemen. We zetten hulp en ondersteuning daarom zoveel mogelijk in op plekken waar zij in hun dagelijkse leven al komen (vindplaatsgericht werken). Vooralsnog zijn dit met name vindplaatsen voor jeugd; scholen, kinderdagverblijven, peuterspeelzalen, het consultatiebureau, het jongerencentrum, etc. We bekijken in hoeverre we dit op termijn uitbreiden voor andere doelgroepen.
Ook de specialistischere vormen van hulp proberen we daar waar het kan dichtbij huis aan te bieden. Dit sluit aan bij landelijke ontwikkelingen waarin een verschuiving optreedt naar de inzet van meer ambulante zorg.
Hoe gaan we om met bestaande functies en structuren?
Enkele jaren geleden hebben we het lokale Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) opgezet. Inmiddels is het CJG een netwerkorganisatie die goed verankerd is in de lokale gemeenschap. Het CJG kent een goed werkende zorgstructuur dat een goede aansluiting heeft met de vindplaatsen. We hebben hiermee een goede basis gelegd voor de nieuwe vormgeving van het sociale domein door de decentralisatie van taken naar gemeenten. Binnen de nieuwe basisstructuur maken we zoveel mogelijk gebruik van de kennis en ervaring vanuit het huidige CJG. Zo bestaat het CJG Oirschot al uit een op elkaar ingespeeld team van professionals dat in toenemende mate een integrale aanpak hanteert bij het ondersteunen en helpen van jeugdigen en gezinnen. De huidige netwerkpartners zetten we zoveel mogelijk in binnen de nieuwe basisstructuur. Doordat we uitgaan van een integrale benadering van de decentralisaties vallen alle taken van het huidige CJG onder het nieuwe brede integrale generalisten- en specialistenteam. Dit betekent ook dat de huidige functie coördinator CJG vervalt. De coördinatie CJG is dan onderdeel van de functie van de nieuwe coördinator voor de gehele integrale toegang.
Wie heeft welke beslissingsbevoegdheid/ mandaat?
Zowel het generalistenteam als het specialistenteam krijgen mandaat om zorg, voorzieningen en diensten in te zetten. We maken hierbij wel een onderscheid in verschillende vormen van ondersteuning:
Eigen kracht en sociaal netwerk
Vrij toegankelijke algemene voorzieningen
Lichte individuele voorzieningen
Zware individuele voorzieningen
Uitgangspunt bij de inzet van hulp en ondersteuning is de professionele inschatting van het generalistenteam of het specialistenteam. Op voorhand stellen we als gemeente geen criteria op wanneer welke zorg, dienst of voorziening kan worden ingezet anders dan de (globale) criteria zoals straks in de verschillende verordeningen staan en/of wettelijk gelden. We geven zoveel mogelijk ruimte aan professionals om maatwerk te kunnen leveren en snel te kunnen handelen. Wel geldt als eis dat er altijd eerst gekeken wordt naar wat inwoners zelf of samen met hun sociale omgeving kunnen oplossen. Ook maatschappelijke inzet is altijd een onderdeel van het ondersteuningsplan. We gaan vooralsnog uit van de onderstaande mandaten/ beslissingsbevoegdheden:
Mandaat bij
Basisstructuur7 Onder de basisstructuur verstaan we het brede scala aan vrijwilligers- en professionele organisaties die een bijdrage leveren aan het welzijn van inwoners. Hierbij kan gedacht worden aan scholen, verenigingen, kerken, peuterspeelzalen, huisartsen, voedselbank, etc
Generalistenteam
Specialistenteam
Zware individuele voorzieningen
x
Lichte individuele voorzieningen
x
x
Algemene voorzieningen
x
x
x
Eigen kracht en sociaal netwerk
x
x
x
Naast bovenstaande mandaten schrijft de Jeugdwet voor dat de huisarts, jeugdarts en andere artsen direct mogen doorverwijzen naar alle vormen van jeugdhulp, waaronder lichte en zware individuele voorzieningen voor jeugdigen. We maken hierover afspraken met artsen om voldoende afstemmming te bereiken en deze groep jeugdigen niet uit beeld te verliezen. Daarnaast kan een aantal vormen van jeugdhulp nooit ingezet worden zonder een besluit van de rechter. Dit betreft jeugdbescherming- en jeugdreclasseringsmaatregelen, gesloten jeugdzorg en overige gedwongen opnamen en gedwongen uithuisplaatsingen.
In deze paragraaf hebben we de lokale en deels subregionale opzet voor integrale toegang beschreven. Deze toegang kent geen wachttijden of wachtlijsten. Burgers worden zo snel mogelijk en zo lokaal mogelijk (dicht bij huis) geholpen.
De komende maanden vindt de verdere invulling van de beschreven basisstructuur plaats. Afstemming met Best en Veldhoven staat hierbij centraal. Uitgaande van een subregionaal specialistenteam betekent dit dat we processen en structuren, ook ten aanzien van het generalistenteam op elkaar af moeten stemmen. Dit kan betekenen dat de in deze paragraaf beschreven basisstructuur op onderdelen (deels) nog aangepast wordt.
Samengevat kunnen we de in deze paragraaf beschreven basisstructuur als volgt weergeven:
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.2.4