Naar hoofdinhoud
In deze paragraaf besteden we aandacht aan een aantal specifieke onderdelen ten aanzien van de uitvoering en organisatie van bij de lokale invulling van het sociale domein. Het frontoffice richten we zo lokaal mogelijk in. Voor de backoffice richten we ons juist zoveel mogelijk op subregionale samenwerking met andere gemeenten. Onze primaire partners daarbij zijn de gemeenten Best en Veldhoven. Burgers en gezinnen moeten zo snel en zo lokaal gebruik kunnen maken van de integrale toegang bij hulp- of ondersteuningsvragen. Deze hulp moet zo dicht mogelijk bij huis plaats vinden. We kiezen er daarom nadrukkelijk voor om het frontoffice (daar waar de vraag binnenkomt) lokaal te organiseren. Voor de backoffice werken we wel zoveel mogelijk samen op subregionaal en regionaal niveau. We zien duidelijk meerwaarde in deze (subregionale) samenwerking als het gaat om kwaliteit, kwantiteit en continuiteit van dienstverlening. Daarnaast worden we als gemeente minder kwetsbaar en lopen we minder (financieel) risico. Uitgangspunt bij (sub)regionale samenwerking is dat burgers hier geen nadelen of hinder van ondervinden. Communicatie en (burger)participatie zijn essentieel bij de invoering van de decentralisaties en de (gefaseerde) transformatie van het sociaal domein. Hoe we dit vormgeven hebben we uitgewerkt in het communicatieplan “Decentralisaties”. We bereiden ons voor op de decentralisaties en de (gefaseerde) transformatie van het sociaal domein in cocreatie met inwoners (al dan niet vertegenwoordigd in advies- en cliëntraden) en maatschappelijke partners. Wij vragen hen om mee te denken en bijdragen te leveren aan de (her)ontwikkeling van het sociaal domein in Oirschot. De gemeente voert de regie maar daarbij is alle kennis, kunde en inzet nodig van alle betrokkenen om de transformatie van het sociale domein tot stand te brengen. Dit vereist een intensieve samenwerking met inwoners, maatschappelijke organisaties en met de regiogemeenten. We hebben dit concreet uitgewerkt, op basis van diverse omgevingsanalyses in het communicatieplan “Decentralisaties”. Uitgangspunt bij zowel communicatie als burgerparticipatie is een integrale benadering. Alleen als zaken echt afzonderlijk vanuit een van de decentralisaties opgepakt moeten worden, om welke reden dan ook, doen we dit. Bijeenkomst maatschappelijke partners 10 april 2014: Er gebeuren al veel goede initiatieven in Oirschot op dit terrein die passen binnen de uitgangspunten en visie van de decentralisaties. Brengen goede initiatieven die je al doet voor het voetlicht! Enthousiasmeren is erg belangrijk! We werken binnen de financiële gemeentelijke kaders die voor het lokale sociaal domein beschikbaar zijn. Het gemeentelijke financiële kader is opgebouwd uit rijksbudgetten inclusief kortingen én bestaande gemeentelijke budgetten. We verwachten de eerste jaren na de invoering van de decentralisaties nog niet binnen de financiële gemeentelijke kaders te kunnen werken. Voor de eerste 3 jaren (2015, 2016 en 2017) gaan we daarom uit van een overgangssituatie waarbij we werken met een bestemmingsreserve. De overheveling van taken vanuit het Rijk en provincie gaat gepaard met kortingen vanuit het Rijk. Gemeenten kunnen dezelfde dienstverlening efficienter en effectiever leveren doordat zij dichter op de burger staan (hun eigen inwoners kennen) en zaken meer integraal op kunnen pakken. Wij verwachten, met name door de sterke inzet op preventie en signalering en versterking van de nullijn (waardoor uiteindelijke minder inzet van zwaardere zorg nodig is), de gewenste dienstverlening inderdaad binnen de door het Rijk beschikbaar gestelde budgetten (inclusief bestaande gemeentelijke budgetten) uit te kunnen voeren. Tegelijkertijd verwachten we dat dit de eerste jaren na de invoering van de decentralisaties nog niet haalbaar is. Per 1 januari 2015 hebben we de structuur voor integrale toegang in basis neergezet. Deze structuur moet vanaf dan echter doorontwikkeld worden. Generalisten en specialisten moeten geschoold worden, teams moeten worden gevormd, de bedrijfsvoering neergezet worden etc. Daarnaast zijn effecten van preventie, vroege(re) signalering, het inzetten op eigen kracht en zelfredzaamheid en het versterken van sociale netwerken en sociale samenhang pas op langere termijn te verwachten. Tenslotte hebben we als gemeente te maken met meerdere subregionale samenwerkingsverbanden (zie hoofdstuk 6). Dit vraagt veel extra inzet ten aanzien van afstemming en samenwerking. We verwachten daarom, tenminste voor de eerste 3 jaren (2015, 2016 en 2017) nog niet te kunnen werken binnen de gemeentelijke financiële kaders. Ook de voorlopige begroting 2015 (zie hoofdstuk 7) toont dit aan. We stellen daarom voor te werken met een overgangssituatie waarbij we een bestemmingsreserve hanteren. We werken dit verder uit in hoofdstuk 7. We onderzoeken of de huidige opzet van de gemeentelijke begroting werkbaar is voor het sociale domein of dat een andere opzet beter aansluit bij de financiële kaders vanuit de decentralisaties. Bij de overheveling van taken vanuit het Rijk en provincie worden ook de bijbehorende budgetten overgeheveld. Vanaf 1 januari 2015 worden de (oude en nieuwe) financieringsstromen vanuit de verschillende beleidsterreinen (jeugd, Wmo en participatie) gebundeld en opgenomen in het gemeentefonds. Binnen het gemeentefonds is sprake van een integratie-uitkering; het deelfonds sociaal domein. Het deelfonds sociaal domein kent voor de duur van drie jaar een bestedingsverplichting. Het budget is ontschot en vrij te besteden binnen het sociaal domein, maar niet daarbuiten. In de huidige opzet van de begroting is er nog geen sprake van ontschotting binnen het sociale domein. Het sociaal domein is verdeeld over verschillende programma’s en sluit daarmee nog niet aan bij het deelfonds. We willen daarom bekijken of de huidige opzet van de begroting werkbaar is voor de situatie na 1 januari 2015 of dat een andere opzet (in ieder geval voor het sociaal domein) raadzaam is. We kopen een aantal voorzieningen en diensten regionaal in om zoveel mogelijk te kunnen profiteren van de voordelen van schaalgrootte. We hebben regionaal en subregionaal afspraken gemaakt over de inkoop van een aantal (zorg)producten en voorzieningen. Door op regionaal niveau in te kopen kunnen we profiteren van de verwachtte financiële en inhoudelijke voordelen van schaalgrootte. Wmo De gemeenten Best, Veldhoven en Oirschot trekken zoveel mogelijk gezamenlijk op in de voorbereidingen op de uitvoering van de nieuwe taken in de Wmo en de inkoop daarvan. De volgende afbakening geldt: Gezamenlijke inkoop betreft de producten in het kader van individuele begeleiding (2e lijn) –de zgn. ‘maatwerkvoorzieningen’. De invulling van het collectieve (voorliggende) deel (0e en 1e lijn) blijft (vooralsnog) verantwoordelijkheid van iedere gemeente apart. We kiezen niet voor een traditionele manier van aanbesteden maar voor een proces van ‘bestuurlijk aanbesteden’. Het model van bestuurlijk aanbesteden biedt de mogelijkheid te sturen op de kwaliteit van de dienstverlening aan burgers en innovatie in het aanbod, binnen de financiële kaders. De zorg- en welzijnsaanbieders verbinden zich aan het gemeenschappelijk doel om per 1 januari 2015 inhoud te kunnen geven aan de verantwoordelijkheden binnen de Wmo en te zorgen dat de inwoners van de gemeenten gebruik kunnen maken van ondersteuning, begeleiding en voorzieningen. Samengevat heeft bestuurlijk aanbesteden de volgende belangrijke voordelen: maximale keuzevrijheid voor burgers/cliënten in aanbieders innovatieve arrangementen, concrete resultaatafspraken (kwaliteit en prijs) en uiteindelijk een resultatenovereenkomst (deelovereenkomst). flexibiliteit zodat nieuwe ontwikkelingen/nieuwe vragen die bij het aangaan nog niet bekend zijn in het contract geïntegreerd kunnen worden. Het College van B&W heeft inmiddels het startdocument (visiedocument) en de basisovereenkomst (met daarin geschiktheidseisen) voor inkoop vastgesteld. In het startdocument zijn een aantal uitgangspunten rondom de uitvoering van het inkooptraject opgenomen. Zo stellen we bijvoorbeeld dat we kansen bieden aan alle zorg- en welzijnsaanbieders, groot en klein. De aanbieders worden uitgedaagd om vraaggericht en niet aanbodgericht te werken. In dit startdocument is ook aandacht voor de verwachtingen van gemeenten. Zo willen we met aanbieders vorm geven aan kwalitatief hoogstaande maatwerkvoorzieningen die aansluiten bij de gekantelde uitvoering van de Wmo en bijdragen aan het zelfstandig (blijven) leven in de eigen omgeving en participeren in de samenleving. We verwachten van partners dat zij samen met ons investeren in een sterk sociaal domein. Samenwerkingen, kennisdeling, integrale benadering van burgers, signalering en preventie en het vergroten van eigen kracht zijn belangrijke elementen daarin. Jeugd Specifiek voor jeugdhulp hebben we regionaal afgesproken dat de gemeente Eindhoven een gezamenlijke regionale inkooporganisatie vormt voor de onderstaande (jeugdzorg)producten: Behandeling met (voltijd/deeltijd)verblijf Pleegzorg Jeugdbescherming en Jeugdreclassering Advies- en Meldpunt Kindermishandeling en Steunpunten Huiselijk Geweld (AMHK) Crisisdienst JeugdzorgPlus Jeugd-GGZ Wij laten deze inkooporganisatie ook de inkoop verzorgen voor dagbehandeling en ambulante/extramurale zorg Alle bovengenoemde vormen zullen door middel van bestuurlijke aanbesteding worden ingekocht. Op dit moment wordt het regionale inkoopvoorstel nader uitgewerkt. Het preventieve gedeelte dat nu al bij de gemeente Oirschot ligt, en de vormgeving van de toegang (generalisten- en specialistenteam) pakken we als gemeente zelf op. In geval van gespecialiseerde ondersteuning en maatwerkvoorzieningen onderzoeken we wat de ruimte (met mogelijk onderscheid naar inkomen) is voor het al dan niet opleggen van een eigen bijdrage op basis van wettelijke kaders. Vanuit de Jeugdwet, Wmo en Participatiewet is het mogelijk om voor vrij beschikbare hulp (laagdrempelige ondersteuning in de eerste lijn en het gebruik van algemene voorzieningen) een eigen bijdrage in rekening te brengen bij de burger. Deze eigen bijdrage kan inkomensafhankelijk zijn. Een eigen bijdrage kan echter voor de hulpvrager drempelverhogend werken om passende zorg in te zetten. Tegelijkertijd kan een eigen bijdrage een prikkel vormen om hulpvragen (meer) op te pakken binnen de eigen sociale omgeving (eigen kracht). We hebben op dit moment nog onvoldoende zicht op de voor- en nadelen van een eigen bijdrage. We onderzoeken daarom of we voor de genoemde ondersteuning en voorzieningen wel of geen eigen bijdrage gaan hanteren en nemen dit op in de betreffende verordeningen. Vanzelfsprekend houden we hierbij rekening met de wettelijke verplichtingen én de maatschappelijke effecten. Informatie (voorziening) en ICT zijn onmisbaar om de decentralisaties op de terreinen jeugd, Wmo, participatie en passend onderwijs te laten slagen. Informatie (voorziening) en ICT zijn onmisbaar om de decentralisaties op de terreinen jeugd, Wmo, participatie en passend onderwijs te laten slagen. De inzet van ICT en informatievoorziening is niet een doel op zich, maar ondersteunen een effectieve uitvoering. ICT kan helpen om de uitvoering efficiënter te maken. Dit bespaart kosten en helpt de administratieve lasten te reduceren. Informatievoorziening is daarnaast  van belang in de verantwoording, de sturing, het toezicht op de kwaliteit en de monitoring van de resultaten en effecten. ICT kan helpen om innovaties door te voeren en nieuwe vormen van dienstverlening mogelijk te maken. We hanteren zoveel mogelijk een integrale benadering als het gaat om informatievoorziening en automatisering. We zien een integrale benadering van dit thema als voorwaarde om het principe één gezin, één plan, één regisseur in de praktijk te kunnen realiseren. We werken hierbij zoveel mogelijk samen met de gemeenten Best en Veldhoven, maar zijn tegelijkertijd verbonden aan het Shared Service Centre De Kempen (SSC De Kempen). We gaan uit van de volgende kaders/ uitgangspunten met betrekking tot informatievoorziening en ICT: Inhoudelijke beleidskeuzes zijn leidend. We maken zoveel mogelijk gebruik van hetgeen landelijk wordt ontwikkeld. We maken zoveel mogelijk gebruik van bestaande ICT-voorzieningen en bestaande infrastructuren in het sociaal domein. We richten ons op het slim verbinden van het bestaande, en zo min mogelijk op het nieuw realiseren van ICT-voorzieningen. We willen per 1 januari 2015 werkende ICT oplossingen hebben.  De aanpak is daarmee vooral pragmatisch, realistisch en gericht op snel resultaat. De eigen kracht en verantwoordelijkheid van burgers staan ook in de gegevensuitwisseling en informatievoorziening voorop. Dit betekent dat burgers waar mogelijk zelf toegang kunnen hebben tot hun eigen gegevens (desgewenst ook digitaal). Betrokken burgers kunnen zoveel mogelijk zelf bepalen met welke partijen gegevens wel of niet gedeeld mogen worden. In technische zin worden bij voorkeur (conform ‘comply or explain’) de bestaande standaarden en voorzieningen vanuit de e-overheid gebruikt. Het gaat dan in elk geval om de landelijke standaarden en afspraken in het kader van het NUP–het Nationaal Uitvoeringsprogramma Dienstverlening en –overheid. Daarnaast sluiten we bij het gebruik van kerngegevens aan bij de systematiek van het stelsel van basisregistraties. Tenslotte zijn de bestaande gemeentelijke standaarden (o.a. StUF, en de architectuur-standaarden vanuit Gemma) leidend. Daarnaast zien we informatiebeveiliging als een belangrijk aandachtspunt. Informatiebeveiliging is (zeker) in de zorg, door de grote spanning tussen het nut van ruime informatie-uitwisseling en privacy van de inwoner, een belangrijk onderwerp en pakken we daarom met de grootst mogelijke zorgvuldigheid op. We proberen een zo breed mogelijk aanbod Zorg in Nature (ZIN) tot stand te brengen. Het blijft in specifieke gevallen en onder bepaalde voorwaarden mogelijk om gebruik te maken van een persoonsgebonden budget (PGB). We proberen een zo breed mogelijk aanbod Zorg In Natura tot stand te brengen (ZIN) zodat inwoners samen met het generalisten- en specialistenteam zoveel mogelijk keuzevrijheid hebben. Uiteraard blijft het mogelijk in specifieke gevallen gebruik te maken van een PGB. Bijvoorbeeld wanneer hulp op afroep niet planbaar is, of in het geval van een hulpverlener met wie een langdurige relatie kan worden opgebouwd (dit speelt met name bij GGZ problematiek, autisme en kinderen, waar vertrouwen en structuur essentieel zijn). De gemeente moet beoordelen of een aanvrager van een PGB voldoet aan de volgende voorwaarden: Naar oordeel van het College van B&W moet de aanvrager het vermogen hebben om PGB-taken op een verantwoorde manier uit te laten voeren. De aanvrager moet motiveren dat het door de gemeente gecontracteerde aanbod van maatwerk- of individuele voorzieningen niet passend is in zijn specifieke situatie. Naar het oordeel van het college van B&W moet gewaarborgd zijn dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van goede kwaliteit zijn. De aanvrager krijgt zelf de regie en ook de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit. Het college kan met deze bepaling vooraf toetsen of kwaliteit voldoende is gegarandeerd, bijvoorbeeld in een persoonlijk budgetplan. Gemeenten hebben beleidsvrijheid bij de verstrekking van het PGB: Gemeenten bepalen op welke wijze de hoogte van het PGB wordt vastgesteld en leggen dat vast in de verordening. Gemeenten mogen differentiëren in de hoogte van het PGB en verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning of jeugdhulp en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten mogen een aanvraag voor een PGB weigeren als de kosten van het PGB hoger zijn dan de kosten van de maatwerk– of individuele voorziening. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als een gemeente vanwege inkoopvoordelen deze voorzieningen goedkoper zal kunnen leveren. In de Jeugdwet is het mogelijk dat de budgethouder het mogelijke surplus zelf bijbetaalt (dit mag volgens de WMO wet niet). Bij verordening kunnen gemeenten bepalen onder welke voorwaarden de PGB-houder de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. Indien de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt, mogen gemeenten een PGB herzien of intrekken. We onderzoeken de mogelijkheid om bepaalde (zeer kostbare) vormen van hulp/ ondersteuning (bijvoorbeeld vanuit de Jeugdwet) uit te sluiten voor PGB. In ieder geval heeft de Jeugdwet bepaald dat geen PGB’s mogen worden verstrekt als er sprake is van maatregelen van jeugdbescherming en jeugdreclassering en gesloten jeugdhulp. Voor 1 november 2014 moet de gemeente een verordening jeugd en WMO hebben (wij gaan w.s. alles combineren in één verordening). De Sociale Verzekeringsbank is aangewezen om de betalingen vanuit het PGB namens betrokkenen te verstrekken. Betrokkene beheert het budget dus niet zelf. Hij kan nog wel zelf bepalen bij welke hulpverlener de hulp wordt ingekocht. Hiervoor is gekozen om fraude of oneigenlijk gebruik van middelen zoveel mogelijk tegen te gaan. Tegemoetkoming mensen met chronische ziekte en/of beperking We moeten bepalen of we gebruik gaan maken van de bevoegdheid tot het verstrekken van een tegemoetkoming op grond van de Wmo. Hierbij moet ook de eventuele samenloop met de overige gemeentelijke instrumenten binnen het sociaal domein worden vermeld. Staatssecretaris van Rijn van VWS heeft een nota van wijziging naar de Tweede Kamer gestuurd waarmee aan de Wmo een bepaling wordt toegevoegd om het voor gemeenten mogelijk te maken een tegemoetkoming (al) dan niet in de vorm van een forfaitaire vergoeding te verstrekken aan personen met een chronische ziekte en/of beperking die aannemelijke meerkosten hebben.

Rechtspraak bij dit artikel