Naar hoofdinhoud
In artikel 151d van de Gemeentewet is bepaald dat een gedragsaanwijzing pas kan worden opgelegd als de ernstige en herhaaldelijke hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan. Dit is conform het subsidiariteitsbeginsel, waar allereerst een minder ingrijpend middel ingezet dient te worden om de ernstige en herhaaldelijke hinder te doen verminderen dan wel te beëindigen. Hieronder worden ook andere middelen verstaan dan het inzetten van bestuursrechtelijke bevoegdheden. Andere middelen zijn bijvoorbeeld: gesprek(ken) tussen de overlastgever(s) en degene die overlast ervaart (dan wel ervaren); afspraken die de overlastgever(s) en degene die overlast ervaart (dan wel ervaren) zelf onderling maken over de overlast; gesprek(ken) en afspraken die worden gemaakt met professionals en overlastgever(s) en degene(n) die de overlast ervaart (dan wel ervaren)die ertoe moeten leiden dat de overlast vermindert dan wel eindigt; buurtbemiddeling dan wel mediation; bestuurlijke waarschuwing; een privaatrechtelijke gedragsaanwijzing via het huurrecht; het zelf starten van een civielrechtelijke procedure; strafrechtelijk optreden. Pas als blijkt dat er redelijkerwijs geen andere passende wijze is om de ernstige en herhaaldelijke hinder tegen te gaan, dan wel als de inzet van passende maatregelen niet doeltreffend is, zal beoordeeld moeten worden of een gedragsaanwijzing opgelegd kan worden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel