**1.** Aan de eigenaar, tevens bewoner van een pand, kan een laagrentende geldlening worden verstrekt als tegemoetkoming in de kosten van het treffen van voorzieningen, die voor de instandhouding en behoud van monumentale waarden van het pand noodzakelijk zijn.
**2.** Aan de eigenaar, tevens verhuurder van een bewoond pand, kan een laagrentende geldlening worden verstrekt als tegemoetkoming in de kosten van voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.
**3.** Aan de eigenaar van een pand, niet zijnde een woning en niet tot woning bestemd, kan een laagrentende geldlening worden verstrekt als tegemoetkoming in de kosten van voorzieningen zoals bedoeld in het eerste lid.
**4.** De laagrentende geldlening, zoals bedoeld in de leden 1 tot en met 3 bestaat uit een lening tegen een rente die 5% lager ligt dan de marktrente met een minimum van 2% rente. Deze lening dient binnen 10 jaar te worden terugbetaald.
**5.** De laagrentende geldlening zoals bedoeld in de leden 1 tot en met 4, bedraagt maximaal 50% van de door burgemeester en wethouders voor lening in aanmerking komende kosten doch ten hoogste € 13.613,41.
**6.** Op de kosten van voorzieningen worden in mindering gebracht de kosten waarvoor uit hoofde van enige andere regeling een bijdrage en/of subsidie is of kan worden toegekend, alsmede de kosten die uit hoofde van een andere regeling zijn of kunnen worden gefinancierd.
**7.** In bijzondere gevallen kan de laagrentende geldlening op een hoger bedrag worden vastgesteld dan voortvloeit uit de toepassing van het vijfde lid van dit artikel.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.1
Artikel 2.1
Onderdeel van Verordening laagrentende geldlening gemeentelijk monumenten