1. Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college, met in
achtneming van artikel 20, vierde lid IOAW/IOAZ, blijvend een
maatregel op indien de belanghebbende door eigen toedoen een inkomen
uit of in verband met arbeid is verloren en:
a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden
ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek; dan wel
b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet
van hem zou kunnen worden gevergd.
2. De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door dit gedrag
verloren netto inkomen.
Hoofdstuk 3
Artikel 12
Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid
Onderdeel van Maatregelenverordening IOAW en IOAZ De Wolden 2013