Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.2

Vaststelling vermogen bij co-ouderschap

Onderdeel van Beleidsregels WWB/WIJ

De grond voor de richtlijn is gelegen in het feit dat artikel 34 lid 3 WWB een andere vermogensgrens kent voor een alleenstaande dan voor een alleenstaande ouder. Ook moet er bepaald worden welk en in hoeverre eventueel inkomen of vermogen van het kind in aanmerking wordt genomen als vermogen van de ouder. Gemeentelijk beleid Co-ouderschap wordt aanwezig geacht indien de feitelijke verzorging van de kinderen deels door de ene en deels door de andere ouder wordt gedaan. Als een ouder gemiddeld minder dan twee etmalen per week belast is met de verzorging van het kind, wordt dit niet gezien als co-ouderschap, maar als een omgangsregeling. De vermogensgrens voor de co-ouder wordt berekend door de vermogensgrens voor een alleenstaande te vermeerderen met x/7 maal het verschil tussen de vermogensgrens voor een alleenstaande ouder - de vermogensgrens voor een alleenstaande. Eventueel inkomen en vermogen van het kind worden voor x/7 toegerekend aan betreffende ouder. Hierbij staat x voor het gemiddelde aantal dagen per week dat de co-ouder het kind verzorgt. Het gehanteerde gemiddelde aantal verzorgingsdagen per week is het als bij de vaststelling van de norm in geval van co-ouderschap (zie § 3.1).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel