Bij hun beschikking omtrent subsidieverlening ingevolge artikel 2 houdt het college in elk geval rekening met:
de prioriteit die het treffen van de voorzieningen in het kader van de monumentenzorg heeft;
de prioriteit die voortvloeit uit de schoonheid en de architectonische, landschappelijke, volkskundige, geschiedkundige en/of wetenschappelijke waarde van het monument;
de bouwtechnische en uiterlijke staat van het monument, mede in relatie tot zijn omgeving;
de mate waarin werkzaamheden, verbonden aan het treffen van de voorzieningen, worden verricht door de eigenaar-bewoner, anders dan in de uitoefening van zijn bedrijf, al dan niet met hulp van anderen, zonder dat bij de hulp sprake is van uitoefening van een bedrijf.