Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 3

Duur van het recht, opzegging en waardevergoeding

Onderdeel van Algemene erfpachtvoorwaarden voor bedrijfsterreinen

De erfpacht wordt gevestigd voor de duur van 75 jaar en gaat in op de dag dat de notariële akte wordt ondertekend. De erfpacht kan door de erfpachter tussentijds worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van één jaar. De gemeente kan in de in lid d genoemde gevallen opzeggen. Een opzegging dient bij exploit te geschieden. Gelijktijdig met de vestiging van de erfpacht wordt ten behoeve van de te realiseren opstallen (de in de erfpachtovereenkomst nader te omschrijven bedrijfsgebouwen) een accessoir recht van opstal gevestigd. Dit recht van opstal wordt gevestigd voor de duur van de erfpacht en gaat gelijktijdig met de erfpacht teniet. Bij beëindiging van de erfpacht door opzegging door de erfpachter heeft deze geen recht op vergoeding van de waarde van nog aanwezige gebouwen, werken of beplantingen. De gemeente zal de hypotheekhouder(s) zo spoedig mogelijk in kennis stellen van een ontvangen opzegging. De erfpacht kan door de gemeente worden opgezegd in geval de erfpachter in ernstige mate tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 5:87 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, zulks met inachtneming van een opzegtermijn van één maand. Voorts kan de erfpacht door de gemeente worden opgezegd indien de erfpachter surséance van betaling aanvraagt, in staat van faillissement wordt verklaard of - indien de erfpachter een rechtspersoon, maatschap of eenmanszaak is - wordt ontbonden, opgeheven of in staat van liquidatie komt te verkeren. In deze gevallen geldt een opzegtermijn van één jaar. De gemeente zal de beperkt gerechtigde(n) (o.a. de hypotheekhouder(s)) of beslaglegger(s) op de erfpacht die in de openbare registers staan ingeschreven tijdig in kennis stellen van haar voornemen tot beëindiging van de erfpacht. De erfpachter mag bij het eindigen van de erfpacht de nog aanwezige gebouwen, werken en beplantingen noch geheel, noch gedeeltelijk wegnemen. De gemeente heeft echter het recht om bij het eindigen van de erfpacht van de erfpachter te vorderen dat de nog aanwezige gebouwen, werken en beplantingen geheel of gedeeltelijk worden weggenomen en de zaak vóór het einde van de erfpacht ook voor het overige wordt teruggebracht in de oorspronkelijke staat waarin deze zich bevond ten tijde van de ingebruikneming door de erfpachter. De gemeente dient binnen 3 maanden na opzegging, of binnen een half jaar voor afloop van de overeengekomen duur van de overeenkomst, schriftelijk aan de erfpachter mede te delen of zij van dit recht gebruik maakt. Wanneer de erfpacht eindigt treedt de gemeente in de volle eigendom van de op de zaak gerealiseerde gebouwen, werken en beplantingen, zonder tot enige schadevergoeding verplicht te zijn, zulks evenwel met dien verstande dat: indien de erfpacht eindigt op grond van het bepaalde in artikel 5:87 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, de gemeente aan de erfpachter conform het in dat artikel bepaalde, de waarde van de erfpacht dient te vergoeden; ingeval van opzegging door de gemeente anderszins en ingeval van wijziging of opheffing van de erfpacht door de rechter op grond van onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 5:97 lid 1 Burgerlijk Wetboek, de erfpachter recht heeft op vergoeding van de waarde van de gebouwen, werken en beplantingen alsdan op de zaak aanwezig, mits en voor zover die door hemzelf zijn bekostigd, tenzij deze zaken onverplicht door de erfpachter of een rechtsvoorganger zijn aangebracht en hij deze bij het einde van de erfpacht mocht wegnemen. In alle gevallen waarin de erfpacht eindigt (met uitzondering van eindigen door vermenging) dient de zaak door de erfpachter te worden opgeleverd vrij van (ingeschreven) hypotheken en beslagen en in zodanige mate vrij van stoffen, die volgens de op het tijdstip van beëindiging van de erfpacht geldende maatstaven en inzichten schadelijk zijn voor het milieu en/of de volksgezondheid, dat de publiekrechtelijke bestemming die de zaak dan heeft zonder nadere bodemsanering kan worden geëffectueerd. De erfpachter is verplicht om voor het eindigen van de erfpacht op zijn kosten een bodemonderzoek te laten verrichten door een terzake kundig milieubureau, zodat voldoende inzicht wordt verkregen in de milieuhygiënische toestand van de zaak. Dit onderzoek moet worden verricht overeenkomstig de normen waaraan zo'n onderzoek alsdan naar de dan geldende normen en verkeersopvattingen dient te voldoen. De erfpachter zal de gemeente uiterlijk één maand voor de dag dat de erfpacht zal eindigen kosteloos een afschrift van het rapport van bevindingen doen toekomen. Vanaf het moment waarop de erfpacht eindigt is de gemeente gerechtigd tot alle opbrengsten en tot het gebruik van de zaak en komen alle lasten die daarvan worden geheven ten laste van de gemeente.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel