Naar hoofdinhoud
7.1.. Het College trekt de vergunning in, indien: de vergunninghouder daarom verzoekt; blijkt dat bij de aanvraag om de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit op de aanvraag om de vergunning zou hebben geleid; de vergunninghouder verhuist naar een locatie buiten het vergunninggebied; niet voldaan wordt of niet langer voldaan wordt aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening of de verordening parkeerbelasting 2008; de vergunningverlening onjuist was en de vergunninghouder dit wist of behoorde te weten; voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen. 7.2.. Het College kan de vergunning intrekken, indien: er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de vergunning; de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; de vergunninghouder de vergunning gebruikt voor een ander doel dan waarvoor de vergunning is verleend; redenen van openbaar belang dit eisen; de verschuldigde parkeerbelasting niet voldaan is. 7.3.. Een besluit tot het intrekken van of wijzigen van een vergunning is met redenen omkleed. De betrokkene wordt van het intrekken of wijzigen van de vergunning schriftelijk in kennis gesteld. 7.4.. De vergunninghouder is verplicht wijzigingen in één van de omstandigheden, die relevant waren voor het verlenen van de vergunning, binnen een maand te melden bij het College. 7.5.. De vergunning vervalt door het verstrijken van de geldigheidsduur van de vergunning. 7.6.. Het College is bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van het bepaalde in deze verordening.

Rechtspraak bij dit artikel