Naar hoofdinhoud

Artikel 2

- De bruikbaarheid van de weg (2.1.5.3 lid 3 a)

Onderdeel van Beleidsregels voor het verlenen van uitwegvergunningen Bloemendaal 2008

Hiermee wordt bedoeld dat het maken of hebben van een uitweg niet mag gaan ten koste van de bruikbaarheid van de weg voor de openbare dienst. Onder ‘weg’ wordt mede verstaan een berm, een fietspad, een voetpad, een parkeerstrook, een busstrook en dergelijke voorzieningen. Bij deze beoordeling wordt specifiek gelet op de volgende aspecten. Aanwezigheid van kabels en leidingen in openbare grond, die intact en bereikbaar moeten blijven. Het kunnen behouden van een goede afwatering. Een maximale breedte van de uitweg ter plaatse van de erfgrens van 4 meter, waarbij de uitweg naar de aansluiting op de rijbaan in de breedte kan uitwaaieren; de noodzaak daarvoor is afhankelijk van de aanwezige manoeuvreerruimtre op de rijbaan. Aanwezigheid van lichtmasten, verkeersborden, zebrapaden, verkeersdrempels en dergelijke voorzieningen. Van de aanvrager wordt verwacht dat hij hiermee rekening houdt bij het projecteren van een uitweg. Als voor de uitweg geen alternatieve locatie kan worden gevonden kan de gemeente medewerking verlenen aan het verplaatsen van straatmeubiliair en verkeersvoorzieningen, mits dat geen nadelige gevolgen heeft voor het functioneren van het te verplaatsen straatmeubilair of de verkeersvoorziening, en mits de aanvrager/vergunninghouder alle hiermee samenhangende kosten aan de gemeente vergoedt. De juiste kwaliteit van toe te passen (bestratings-)materialen op openbaar terrein en een goede aansluiting op bestaande wegverhardingen en bermen/plantsoenen. Deze materialen worden door de gemeente voorgeschreven en zijn afhankelijk van de plaatselijke wegconstructie. Goede materialen zijn duurzaam, goed te onderhouden en leveren geen gevaar op voor het verkeer (dus geen losse kiezels, zand e.d.).

Rechtspraak bij dit artikel