1. De eis conform het bepaalde in artikel 10a, lid 4 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1964 dat enkel medewerkers die maximaal 10 jaar verwijderd zijn (op het moment van ingaan van de regeling 57 jaar) van de in de pensioenregeling vastgestelde pensioenrichtleeftijd kunnen deelnemen heeft te maken met de mogelijkheid om nog 100% pensioen op te kunnen bouwen. Bij deelname op jongere leeftijd is dit niet mogelijk. Als medewerkers die deelnemen aan het generatiepact deels elders gaan werken en hier ook pensioen gaan opbouwen kan dat gevolgen hebben voor de pensioenopbouw vermeld in artikel 3. Er kan dan sprake zijn van fiscaal bovenmatige opbouw waardoor voor een deel geen pensioenopbouw bij het Abp meer mogelijk is.
2. De medewerker moet een arbeidsduur van minimaal 14,4 uur over houden. Een parttimer die bij de start 0,5 fte (18 uur) werkt, kan dan ook slechts beperkt gebruik maken van de regeling. De minimum resterende weektaak is gekozen om te veel versnippering tegen te gaan.
3. Indien een medewerker minder gaat werken op basis van deze regeling, is het niet wenselijk dat de medewerker dan weer via urenuitbreiding meer zou gaan werken. Toekomstige urenuitbreiding is daarom uitgesloten als een medewerker deelneemt.
5. Een medewerker kan niet terugkomen op de gemaakte keuze om deel te nemen aan het generatiepact. De vrijkomende loonsomruimte is ingevuld of vervallen. Indien de medewerker terug zou kunnen komen op zijn keuze levert dit, wegens het niet meer beschikbaar zijn van loonsom en formatie, formatie- en begrotingstechnisch een probleem op.
6. De regeling is bedoeld om de periode tot het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd te overbruggen. Medewerkers die doorwerken na deze leeftijd kunnen niet meer (gaan) deelnemen aan deze regeling.