Lid 1
De ambtenaar is vrij te bepalen wanneer hij vakantie opneemt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere ambtenaren zich daar niet tegen verzetten.
Lid 2
De ambtenaar dient in elk kalenderjaar ten minste 108 vakantie-uren op te nemen waarvan ten minste 72 vakantie-uren over een aaneengesloten periode. De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op officiële feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in de eerste en tweede graad en bij verhuizing.