De termijnen in deze Erfgoedverordening zijn aangepast aan de Wabo. In artikel 3.7 van deze wet is bepaald dat voor de omgevingsvergunning (voor zover het gaat om een vergunning op grond van de Erfgoedverordening, met andere woorden voor gemeentelijke monumenten) de reguliere procedure dient te worden gevolgd. De termijn waarbinnen op de aanvraag moet worden beslist, is acht weken, met de mogelijkheid om tot ten hoogste zes weken te verdagen. Mocht de beschikking niet tijdig zijn gegeven, dan is de vergunning van rechtswege verleend. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met ingang van de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op dit bezwaar is beslist.
Indien er meerdere activiteiten voor het project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten de uitgebreide procedure op grond van de Wabo gevolg moet worden, dan wordt voor het hele project de uitgebreide procedure gevolgd.
Eerste lid
Dit criterium voor vergunningverlening wordt voor beschermde monumenten geregeld in artikel 2.15 van de Wabo. In het kader van dit lid moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen. De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het belang van de monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag verzetten. In het eerste lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. Het college behoudt wel de mogelijkheid om gemotiveerd af te wijken van het advies van de CRK en dus van het belang van de boven- en ondergrondse monumentenzorg. Bij wijzigingen draait het telkens om het vinden van een goede balans tussen de wensen van de gebruiker en de mogelijkheden tot aanpassing die het monument biedt in relatie tot de instandhouding van de monumentale waarden.
Tweede lid
In het tweede lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo, waar eenzelfde bepaling is opgenomen voor rijksmonumenten. Achtergrond van dit artikel is de scheiding tussen Kerk en Staat. Belangrijk is dat er goed beargumenteerde liturgische of andere kerkelijk inhoudelijke motieven ten grondslag liggen aan de voorgenomen activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Cruciaal zijn hierbij de wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging. Uit jurisprudentie blijkt dat de eigenaar deze eerst moet benoemen en zich vervolgens een oordeel moet vormen of, en zo ja in hoeverre, deze wezenlijke belangen in het geding zijn bij de voorgenomen activiteit. Bij het verwijderen van een vast bankenplan om de kerk bijvoorbeeld te kunnen verhuren voor congressen, is louter sprake van een economisch belang. In dat geval hoeft er geen overeenstemming te zijn. Het gebeurt in de praktijk overigens zelden dat geen overeenstemming wordt bereikt. Verschillen van inzichten tussen het bevoegd gezag en de eigenaar kunnen bijvoorbeeld gaan over verwijdering of verplaatsing van belangrijke monumentale onderdelen van het interieur, zoals preekstoel, doophek, vaste banken, altaren en biechtstoelen. Tijdens vooroverleg kunnen partijen vroegtijdig elkaars visies en standpunten uitwisselen, om te komen tot een plan dat rekening houdt met alle betrokken belangen. Dit draagt bij aan het bereiken van de vereiste overeenstemming en kan zo vertraging tijdens de vergunningprocedure voorkomen.
Derde lid
Het bevoegd gezag kan voorschriften verbinden aan de vergunning. Het kader voor deze voorschriften is de instandhouding van de monumentale waarden van een gemeentelijk monument.
Artikel 12.
Beoordeling aanvraag en weigeringsgrond
Onderdeel van ERFGOEDVERORDENING GEMEENTE EDE 2017