Zie ook de toelichting bij artikel 3. De term ‘rijksmonument’ is gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wabo (op grond van artikel 10.9 van de Erfgoedwet). De procedure inzake deze omgevingsvergunning is geregeld in die wet. De gemeenteraad is verplicht om bij verordening de inschakeling van een commissie te regelen die adviseert over omgevingsvergunningen bij rijksmonumenten (artikel 15 van de Monumentenwet 1988). Ook onder de Omgevingswet (artikel 17.9 van het wetsvoorstel zoals dat op 22 maart 2016 is aangenomen door de Eerste Kamer) zal een adviescommissie ingesteld moeten worden die tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit.
Deze regel moet worden gelezen in het kader van de decentralisatie en deregulering die het rijk ten aanzien van de advisering over aanvragen om een omgevingsvergunning voor beschermde (gebouwde en aangelegde) rijksmonumenten heeft doorgevoerd. Nadat de bevoegdheid om hierover te mogen beslissen al onder voorwaarden naar de gemeenten werd gedecentraliseerd, is in 2009 de ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een omgevingsvergunning beperkt tot een aantal speciale gevallen (zie hierna). De advisering is daardoor voor een aanzienlijk groter deel exclusief komen te liggen bij de gemeentelijke adviescommissie op het gebied van monumentenzorg, in Ede de CRK. Ter compensatie van het wegvallen van het advies van de minister (namens deze: de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) hebben alle gemeenten de verplichting gekregen een commissie op het gebied van de monumentenzorg aan te stellen die én onafhankelijk én voldoende deskundig is om alle voorkomende vraagstukken binnen de monumentenzorg zorgvuldig te kunnen beoordelen.
De uiteenlopende adviestermijnen hangen samen met aanpassingen in de vergunningprocedure voor beschermde (gebouwde en aangelegde) rijksmonumenten. De procedure van een omgevingsvergunning voor deze rijksmonumenten kan verschillen van de procedure van een omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten.
Standaard geldt voor vergunningaanvragen voor rijksmonumenten de reguliere procedure van 8 weken zoals vermeld in de Wabo. Bij complexe aanvragen waarbij sprake is van adviesplicht van de minister geldt de uitgebreide procedure van maximaal 26 weken op basis van afdeling 3.4 van de Awb (uniforme openbare voorbereidingsprocedure). Bij algemene maatregel van bestuur is bepaald om welke categorieën van gevallen het hier gaat en bij welke instanties advies gevraagd wordt. In het Besluit omgevingsrecht (Bor) is bepaald dat de Minister bij a) een ingrijpende wijziging van een beschermd rijksmonument en b) de sloop, c) de reconstructie en d) de herbestemming daarvan om advies wordt gevraagd. Daarnaast adviseren gedeputeerde staten van Gelderland indien het beschermde rijksmonument buiten de bebouwde kom ligt.
Over de besluitvormingsprocedure is in deze verordening niets opgenomen, omdat de Awb dit reeds regelt. Eerst wordt een ontwerpbesluit (de vergunning in concept) verzonden naar de aanvrager (Awb artikel 3:13), vervolgens gepubliceerd (een aantal zaken moet in de publicatie vermeld worden, zie Awb artikel 3:12), en ten slotte zes weken ter inzage gelegd (Awb artikel 3:11 en 3:16). Als er zienswijzen binnenkomen, dan wordt de aanvrager zo nodig in de gelegenheid gesteld te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen (Awb artikel 3:15.3). De verwerking van de zienswijzen in het definitieve besluit moet binnen zes maanden na ontvangst van de vergunningaanvraag plaatsvinden. Als er geen zienswijzen zijn binnengekomen, dan moet dit zo snel mogelijk na het verstrijken van de terinzage-termijn gepubliceerd worden en neemt het college het definitieve besluit binnen vier weken na het einde van de terinzage-termijn (Awb artikel 3:18.4).
Het definitieve besluit moet binnen vier maanden na ontvangst van het laatste van de eventuele adviezen van de minister, bij monde van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), zijn genomen. Van de mogelijkheid om de besluitvorming te verdagen met een redelijke termijn kan alleen in de eerste acht weken van de proceduretermijn gebruik gemaakt worden, als de aanvraag een complex of omstreden onderwerp betreft én de aanvrager in de gelegenheid gesteld is hierover zijn zienswijze kenbaar te maken (Awb artikel 3:18.2). Omdat de mogelijkheid is opgenomen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen, is tegen het definitieve besluit alleen nog maar beroep mogelijk, en wel alleen door de minister, de aanvrager, belanghebbenden die tijdig een zienswijze naar voren hebben gebracht (Awb 3:41 en 3:43) en belanghebbenden die een goede reden hebben niet eerder zienswijzen te hebben ingebracht (Awb art 6:13).
Ten aanzien van archeologische rijksmonumenten geldt dat de Minister van OCW op grond van de Wabo en Erfgoedwet (Monumentenwet 1988) verantwoordelijk blijft voor de vergunningverlening en daarnaast bevoegd gezag is inzake de aanwijzing, toezicht en handhaving. De gemeente heeft op dit gebied een secundaire taak. Dit zal veranderen met de invoering van de Omgevingswet.
Bijzondere aandacht verdient de situatie waarin bij het college een omgevingsvergunningplichtig plan wordt ingediend dat (onder andere) activiteiten omvat aan een archeologisch rijksmonument waarvoor de Minister een vergunning dient te verlenen. De gemeente zal de initiatiefnemer in dat geval wijzen op de plicht tot aanvraag van een archeologische rijksmonumentenvergunning bij de Minister. Er zijn geen juridische gronden op basis waarvan de gemeente de omgevingsvergunning kan aanhouden in afwachting van een archeologische rijksmonumentenvergunning.
Artikel 14.
Advies omgevingsvergunning rijksmonument
Onderdeel van ERFGOEDVERORDENING GEMEENTE EDE 2017