Met dit artikel wordt uitvoering gegeven aan de nota ‘Archeologie in Evenwicht’ (2012) en de regierol die de gemeente kiest met betrekking tot de uitvoering van archeologisch veldonderzoek en het (ex situ) behoud van archeologische waarden in het gemeentelijk grondgebied. Het artikel schept duidelijkheid over de rol van het college als bevoegd gezag richting het archeologische veld, met name onderzoekers: certificaathouders (bedrijven), vrijwilligers en instellingen, zoals universiteiten.
Om de regierol goed uit te kunnen oefenen, stelt het college - namens deze de adviseur(s) archeologie - een programma van eisen op waarmee de kaders worden gesteld voor het ontwerp en uitvoering van archeologisch onderzoek. Dit programma van eisen kan ook door een archeologische partij worden opgesteld om daarna door het college te worden goedgekeurd. Vervolgens wordt van de initiatiefnemer verwacht dat hij in een plan van aanpak weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders, zoals omschreven in het programma van eisen, denkt te gaan invullen.
Artikel 15, eerste lid, onder a, is van toepassing op alle ‘destructieve’ archeologische onderzoeken, waarbij sprake is van daadwerkelijke graafactiviteiten: proefsleuvenonderzoeken, archeologische begeleidingen en opgravingen. Voor ‘non-destructief’ archeologisch onderzoek, zoals geofysisch of booronderzoek, wordt in beginsel geen programma van eisen verplicht gesteld. Een plan van aanpak als bedoeld onder het eerste lid, sub b, moet in die gevallen volstaan.