In de plaatsingsprocedure worden de volgende vier categorieën onderscheiden:
a. ongewijzigde functies met gelijke formatie;
b. ongewijzigde functie met minder formatie;
c. gewijzigde functie, en
d. nieuwe functie.
Ongewijzigde functie met gelijke formatie.
Als een medewerker een ongewijzigde functie bekleedt, dan wordt hij geplaatst op de ongewijzigde functie. Bij het nemen van het besluit tot plaatsing als bedoeld in artikel 20 hanteert de werkgever in beginsel het ‘mens–volgt–functie’ principe. Dit houdt in dat de medewerkers, zo mogelijk, wordt geplaatst in de eigen, ongewijzigde functie.
Ongewijzigde functie met minder formatie.
Als door afname van de formatie voor de ongewijzigde functie plaatsing op grond van het ‘mens – volgt – functie’ principe niet mogelijk is, volgt plaatsing in een passende functie. Dit gebeurt met in achtneming van de criteria zoals genoemd bij de definitie ‘passende functie’ en op basis van het afspiegelingsbeginsel conform de UWV beleidsregel. Voor dit laatste geldt het volgende:
1. er wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging vanuit de volgende leeftijdscategorieën:
- 15 tot en met 24 jaar;
- 25 tot en met 34 jaar;
- 35 tot en met 44 jaar;
- 45 tot en met 54 jaar;
- 55 jaar en ouder.
binnen elke leeftijdsgroep komt de medewerker met de langste diensttijd als eerste voor plaatsing in aanmerking;
2. voor het bepalen van de langste diensttijd wordt uitgegaan van het aantal jaren, maanden en dagen dat een medewerker bij de gemeente Assen of diens rechtsvoorganger werkt. Als twee of meer medewerkers even lang in dienst zijn, wordt gekeken naar het aantal jaren, maanden en dagen in overheidsdienst. Bij een gelijk aantal werkgeversjaren en overheidsjaren wordt gekeken naar de leeftijd. Degene met de hoogste leeftijd heeft in dat geval de hoogste anciënniteit.
3. Als de medewerker naar het oordeel van de werkgever beschikt over zodanige kennis en bekwaamheden dat zijn boventalligheid voor het functioneren van de organisatie bezwaarlijk zou zijn, kan de werkgever deze medewerker bij toepassing van het afspiegelingsbeginsel buiten beschouwing laten.
4. Het afspiegelingscriterium wordt niet toegepast als sprake is van een sleutelfunctie die ook vóór de organisatiewijziging bestond.
Gewijzigde functies en nieuwe functies.
Voor nieuwe en gewijzigde functies gebeurt plaatsing op basis van geschiktheid. Deze procedure wordt ingezet voor de gewijzigde en nieuwe functies die op basis van geschiktheidseisen worden ingevuld met inachtneming van het gestelde in artikel 9.
Artikel 8. Plaatsingsprocedure
1. Het management bepaalt, mede op advies van een personeelsadviseur, welke medewerkers:
- in een ongewijzigde functie met ongewijzigde formatie worden geplaatst;
- in een ongewijzigde functie met gewijzigde formatie worden geplaatst;
2. Het management bepaalt, op advies van de selectiecommissie als genoemd in artikel 10 welke medewerkers:
- in een gewijzigde functie worden geplaatst;
- in een nieuwe functie worden geplaatst.
3. Uitgangspunt bij een plaatsing is dat de medewerker zijn functie volgt (‘mens–volgt–functie’).
4. Deze plaatsingen worden opgenomen in een voorlopig plaatsingsplan.
5. Aan alle medewerkers die vallen onder sub b, c en d van artikel 7 verstrekt de werkgever: - het voorlopig formatieplan met beschikbare functies; - de beschrijving van de plaatsingsprocedure (conform de bepalingen van de leidraad) - een belangstellingsregistratieformulier.
6. De medewerker wordt in de gelegenheid gesteld binnen twee weken na uitreiking van het belangstellingsregistratieformulier zijn voorkeur op dit formulier kenbaar te maken voor maximaal ten hoogste drie functies uit het formatieplan.
7. Voor de gewijzigde en nieuwe functie vindt een selectieprocedure plaats conform artikel 9.
8. De uitkomsten van de selectiegesprekken worden verwerkt in het plaatsingsplan.
9. Het plaatsingsplan wordt ter toetsing aangeboden aan de plaatsingscommissie.
Artikel 7.
Voorkeursvolgorde bij plaatsing
Onderdeel van Leidraad bij organisatieverandering gemeente Assen 2017 - 2020