Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 1

Artikel 7

Ondermandatering

Onderdeel van ALGEMEEN MANDAATBESLUIT 2018

1.. Concerndirecteuren zijn bevoegd de hun opgedragen bevoegdheden rechtstreeks te ondermandateren, waarbij de bepalingen van dit Mandaatbesluit onverkort van toepassing zijn. 2.. Ondermandatering geschiedt bij schriftelijk besluit. 3.. De ondergemandateerde bevoegdheden worden in een ondermandaatbesluit gebundeld en één keer per jaar geactualiseerd. 4.. In de ondertekening van het desbetreffende besluit dient de ondermandaatverhouding tot uiting te worden gebracht. 5.. De in ondermandaat opgedragen bevoegdheden komen ook toe aan de hiërarchisch leidinggevenden van de functionarissen waaraan het ondermandaat is toegekend. In dit mandaatbesluit is gekozen om het ondermandateren in beginsel vrij te laten. Daarbij moeten drie dingen worden opgemerkt: er kan alleen rechtstreeks ondergemandateerd worden. Verder ondermandateren is niet toegestaan; ondermandaten dienen gebundeld te worden in een ondermandaatbesluit; artikel 8 geeft aan welke waarborgen rond ondermandatering ingericht moeten worden. Ten aanzien van het eerste punt wordt opgemerkt dat voorkomen moet worden dat de ondertekening uit een serie bevoegdheidsopdrachten gaat bestaan, waarbij de tussenliggende schakels geen afzonderlijke inbreng of verantwoordelijkheid hebben. Dat betekent dat de concerndirecteur Groningen met lijnverantwoordelijkheid voor het directie direct mandateert aan degene die inhoudelijk de beslissing neemt. Dat laat onverlet dat leidinggevenden ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid instructies kunnen geven aan degene die door middel van het ondermandaat bevoegd is gemaakt. Het is ook van belang duidelijk te stellen dat dezelfde randvoorwaarden die voor mandatering gelden, ook voor ondermandaat gelden. Van de concerndirecteur wordt verwacht dat hij hiervoor waarborgen schept. Artikel 8 legt daar nog eens speciaal de nadruk op. Verder is uitgangspunt dat organisatorische en noodzakelijke functiescheidingen vanuit het oogpunt van administratief beheer gehandhaafd blijven. Er moet dus goed worden nagegaan bij wie of waar in de organisatie de betreffende bevoegdheid wordt neergelegd. De genoemde restricties dragen er toe bij dat binnen de directie een overzicht beschikbaar moet zijn van de verleende ondermandaten. Lid 5 voorziet in de mogelijkheid dat leidinggevenden in de lijn dezelfde bevoegdheden hebben als hun ondergeschikten. Dit op grond van het adagium: wie het meerdere mag, mag ook het mindere.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel