4.6.3.1Primaat collectief vervoer (artikel 3.4 Verordening)
Bij vervoersvoorzieningen geldt het primaat van het collectief vervoer. Dat betekent dat eerst wordt bekeken of de cliënt in staat is gebruik te maken van het collectief vervoer. Pas indien de cliënt geen gebruik daarvan kan maken of wanneer collectief vervoer geen passende voorziening is, wordt een andere maatwerkvoorziening verstrekt. De vraag of het collectief vervoer als voorziening voldoet aan de compensatieplicht, kan slechts beantwoord worden op grond van een onderzoek naar de (inventarisatie van) beperkingen, maar ook de persoonskenmerken en vervoersbehoeften van de cliënt. Er moet een afweging worden gemaakt tussen de vervoersmogelijkheden van het collectief vervoer en de kenmerken van de cliënt alsmede zijn beperkingen en vervoersbehoeften, rekening houdend met de vraag op welke wijze het behoud of het bevorderen van zelfredzaamheid of de deelname aan het maatschappelijk verkeer bereikt wordt.
4.6.3.2Aanvullende vervoersvoorziening
In voorkomende gevallen is het alleen aanbieden van het collectief vervoer niet voldoende. Dat geldt voor personen die geen gebruik kunnen maken van een (snor-, brom-, of driewiel-)fiets en die maximaal 100 meter kunnen lopen. Deze personen komen in beginsel in aanmerking voor een aanvullende vervoersvoorziening die bedoeld is voor de korte afstanden. Bij personen die geen gebruik kunnen maken van een (snor-, brom-, of driewiel-)fiets én meer dan 100 meter kunnen lopen, zal het college beoordelen of een aanvullende voorziening voor de korte afstand noodzakelijk is.
4.6.3.3Vervoersbestemmingen
Het gaat in beginsel om verplaatsingen in het kader van het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer of te wel het vervoer in het kader van het leven van alledag. Dat zijn de verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen.
Recreatieve verplaatsingen
Recreatieve verplaatsingen kunnen deel uitmaken van het dagelijkse patroon van het leven van alledag. In dat geval wordt met het treffen van een vervoersvoorziening ook met deze bestemmingen rekening gehouden.
Vervoer in verband met werk
Bij de beoordeling van aanspraken op vervoersvoorzieningen in verband met werk wordt eerst gekeken naar voorliggende voorzieningen. Voor mensen die in dienstbetrekking werken (en mogelijk voor zelfstandigen) zijn er voorliggende voorzieningen.
Vervoer in verband met het volgen van onderwijs
Voor het vervoer in verband met onderwijs zijn er voorliggende voorzieningen, zoals het leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving en voorzieningen die via het UWV worden verstrekt, de voormalige Wet-Rea-voorzieningen.
Vervoer van kinderen door ouders met een beperking
Bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen moet rekening worden gehouden met het verzorgen van kinderen door ouders met een beperking. Daarbij kan echter ook rekening worden gehouden met alternatieven voor vervoer door de ouders zelf, zo stelt de Centrale Raad van Beroep. Het naar school brengen van kinderen gebeurt vaak op toerbeurt door ouders en het valt niet in te zien dat ouders hier niet aan mee zouden kunnen doen. Een individuele afweging is noodzakelijk.
Begeleiding bij het vervoer van Wlz-bewoners
Bij begeleiding bij het vervoer van Wlz-bewoners kan rekening gehouden worden met de agogische taak van personeel van de instelling, met name bij gezinsvervangende tehuizen en ook bij grotere Wlz-instellingen. Ook kan beoordeeld worden of het vervoer begeleid zou kunnen worden door vrijwilligers, mits die gegarandeerd aanwezig zijn.
Bovenregionaal vervoer voor WLZ-bewoners
Uitgangspunt is een gelijke plicht tot verstrekking van vervoervoorzieningen aan Wlz-bewoners en overige bewoners van de gemeente. Dat betekent alleen vervoersvoorzieningen voor lokaal vervoer en slechts bij wijze van uitzondering - bij dreigende vereenzaming - voor bovenregionaal vervoer. De CRvB oordeelt dat uitgegaan mag worden van bezoek om en om, dus de ene week bezoek van de ouders aan de instelling, de andere week bezoek van de Wlz-bewoners aan het ouderlijk huis.
Recreatief vervoer voor Wlz-bewoners vanuit het ouderlijk huis waar cliënt niet woont valt niet onder de wet. Dat is ook logisch, omdat dit het verplaatsen in de directe woonomgeving (wat immers de instelling is) ver te boven gaat.
HOOFDSTUK 4. › § 4.6
Artikel 4.6.3