Naar hoofdinhoud
Voor nieuwbouw en ingrijpende renovatie of herstructurering biedt de Nota Ruimtelijke Kwaliteit (2015) de nodige houvast om het gesprek te voeren over de gewenste beeldkwaliteit. Voor kleinere private toevoegingen zoals omschreven in hoofdstuk 2 gelden tevens de richtlijnen zoals opgenomen in deze nota. Deze richtlijnen vormen een stimulans om na te denken over goede oplossingen, maar zijn tevens de kaders voor beoordeling van een vergunningaanvraag. De richtlijnen hebben tot doel om de historische uitstraling te behouden en waar mogelijk te verbeteren. Ze vormen een eenduidig beleid waardoor voor iedereen dezelfde ‘spelregels’ van toepassing zijn. De richtlijnen zullen echter niet voor elke specifieke situatie bruikbaar zijn en in een enkel geval zelfs te beperkend zijn. In die gevallen kan gemotiveerd afgeweken worden van de richtlijnen (zie paragraaf 5.1). Deze nota richt zich op het openbaar zichtbare beeld van de binnenstad. Door de hoger liggende vestingwallen zijn veel achtererven en -gevels duidelijk zichtbaar en bepalend voor het beeld. Vanwege het historische (beschermd stadsgezicht) en het openbare karakter is het dan ook logisch dat er hogere eisen worden gesteld aan de uitstraling van deze achterkanten. Elke ingreep dient een verrijking te zijn van de gevel of de openbare ruimte, of tenminste qua plaatsing, kleurstelling, materiaalgebruik en/of detaillering niet ontsierend te zijn voor het gevel- en straatbeeld en geen afbreuk te doen aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of de stedelijke ruimte groter is, worden hogere eisen gesteld aan de uitstraling van gebouwen en openbare ruimte. In de centrale ontmoetingsruimte (2), langs winkelstraten en aan pleinen is het wenselijk dat bebouwing, vooral op de begane grond, een hoge beeldkwaliteit en levendigheid heeft. Het is bijvoorbeeld logisch dat in de centrale ontmoetingsruimte (2) meer reclame-uitingen mogelijk zijn dan in de woonomgeving (3). Tegelijkertijd kan een te veel aan levendigheid het oorspronkelijke historische karakter verstoren. Het is dus van belang om elke toevoeging altijd in relatie te zien tot de gewenste algehele uitstraling en allure van de binnenstad. Vanwege de zichtbaarheid is extra aandacht nodig voor toevoegingen aan achtergevels en -tuinen die gericht zijn op de vestingwallen. In algemene zin geldt voor alle toevoegingen aan gebouwen en openbare ruimte dat kleur- en materiaalgebruik traditioneel is met gedekte kleuren en bij voorkeur natuurlijke materialen (hout, steen, metaal, glas etc). Geen toepassing van fluorescerende, sterk reflecterende of contrasterende kleuren en materialen. Naast een goede beeldkwaliteit zijn ook de veiligheid en de toegankelijkheid van de binnenstad belangrijk voor de uitstraling, attractiviteit en gebruiksgemak van de binnenstad. Er mag geen sprake zijn van (fysiek of visueel) overlast of hinder voor derden. De gemeente hanteert voor ingrepen in de openbare ruimte het Handboek toegankelijkheid (2012). Belangrijke aandachtspunten zijn de toegankelijkheid van panden voor minder validen, obstakelvrije doorgang, verlichting en begaanbaarheid door bestrating/verharding. Ook mag de verkeersveiligheid niet in het geding komen. Er is sprake van verkeersonveiligheid als de zichtbaarheid van de openbare ruimte, de verkeerslichten of -borden en andere -aanduidingen worden aangetast en als objecten op de weg een belemmering vormen voor doorgaand verkeer en hulpverlenende diensten. Voor gebruikers van de openbare ruimte zoals voetgangers, rolstoelgebruikers etc. moet een ruimte van minimaal 1.50 meter breed obstakelvrij blijven. Daarnaast is een obstakelvrije doorgang ten behoeve van het overige verkeer en hulpverlenende diensten nodig met een minimale breedte van 3.50 meter. Per situatie wordt bekeken of dit afdoende is. Door werkzaamheden of andere oorzaken kan de vrije doorgang tijdelijk kleiner zijn. Uitstekende objecten aan de gevel mogen niet lager dan 2.20 meter boven de weg worden geplaatst, gemeten vanaf de onderzijde van het object of de drager. Bij gevels waarbij het object boven een eventuele rijloper (=deel van de verharding waar het gemotoriseerd verkeer van gebruik dient te maken) uitsteekt wordt een hoogte van 4.50 meter aanhouden, tenzij anders bepaald in de specifieke richtlijnen. Er mogen geen verkeersonveilige situaties ontstaan door beperkte zichtbaarheid van de openbare ruimte, de verkeerslichten of - borden en andere -aanduidingen of als objecten op de weg een belemmering vormen voor doorgaand verkeer en hulpverlenende diensten. Terrassen, reclameobjecten en andere private uitstallingen mogen niet op de rijloper of parkeervak geplaatst worden. < Bij ingrepen aan de gevel respect voor historisch gevelbeeld met behoud van individuele panden en relatie begane grond en verdiepingen. Individualiteit van gevels herkenbaar houden. Panden niet samenvoegen door doorlopende puien of luifels. Puien kunnen een eigen verschijningsvorm hebben maar zijn altijd onderdeel van samenhangende architectuur van de hele gevel.

Rechtspraak bij dit artikel