Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.4

Afwegingskader

Onderdeel van Nota vereveningsfondsen Kaag en Braassem

De hoofdregel is dat bij nieuwbouw van woningen 30% als sociale woningbouw wordt gerealiseerd. Dat mag zijn sociale huur of sociale koop. Bij de ontwikkeling van bouwplannen is dit beleid leidend. Er dient te worden voldaan aan deze norm, tenzij. Ook bij elke latere programmawijziging moet dit besef er steeds zijn. In bijzondere gevallen kan het gewenst zijn om een woningbouwproject te realiseren met minder dan 30% sociale woningbouw van het totale bouwprogramma. Deze situaties dienen uitzondering te zijn die de hoofdregel bevestigt. Een ander punt is dat de norm 30% sociale woningbouw een norm is die op gemeenteniveau wordt gehanteerd. Dit betekent dat het strikt doorvoeren hiervan voor alle bouwprojecten en alle dorpen niet altijd haalbaar of zelfs niet wenselijk is. Verwezen kan worden naar het in de MRSV gemaakte onderscheid tussen groei- en groenkernen. Als in een bepaald dorp bijvoorbeeld een lagere sociale norm dan 30% aanvaardbaar wordt geacht moet dit uit de actualisering van de MRSV blijken en moeten daarbij geldige argumenten voorhanden zijn ontleend aan de woningvoorraad, woningbehoefte, in het betrokken dorp dan wel aan het behalen van een hogere dan de 30% norm in een nabijgelegen dorp. Afwijken van deze norm zou kunnen bijvoorbeeld vanwege de (beperkte) omvang van een nieuwbouwproject, de stedenbouwkundige structuur of locatiespecifieke factoren, zoals bijvoorbeeld ligging aan het water. De gronduitgevende partij (of de gemeente) heeft te allen tijde de plicht een keuze tot afwijken van het percentage sociale woningbouw schriftelijk aan te tonen en te voorzien van gegronde redenen en inspanningen. Argumenten van louter financiële aard worden niet gehonoreerd. In deze gevallen kan in het belang van de gewenste ruimtelijke ordening afgeweken van de norm van 30% sociale woningbouw voor dat woningbouwproject. Deze bijdrage wordt gestort in de bestemmingsreserve Sociale Woningbouw. Ook bij herstructurerings- of herontwikkelingsprojecten met een positieve grondexploitatie waarbij wordt afgeweken van de 30% sociale woningbouw norm wordt via een anterieure overeenkomst een bijdrage afgesproken. Ook deze bijdrage wordt gestort in de bestemmingsreserve Sociale Woningbouw. De meest lastige categorie wordt gevormd door de bouwprojecten waarin niet aan de 30% norm wordt voldaan en die een negatieve grondexploitatie kennen. Deze negatieve exploitatie moet dan wel met toetsbare feiten onderbouwd kunnen worden. In deze categorie kan alleen worden afgezien van het betalen van een bijdrage Sociale Woningbouw op grond van deze Nota in de volgende gevallen: Het bouwproject valt binnen het toepassingsbereik van de regeling Ruimte voor Ruimte, zoals bedoeld in artikel 2 van de Verordening Ruimte van de Provincie Zuid-Holland, of; Het bouwproject voorziet in het behoud of herstel van een gemeentelijk monument zoals bedoeld in de Erfgoedverordening. Ook als zich deze situaties voordoen is het niet hoeven te betalen van een bijdrage geen vanzelfsprekendheid maar een bevoegdheid van het college. Ontheffing van de plicht om een bijdrage te doen moet steeds gemotiveerd worden aangevraagd en er volgt een evenzeer gemotiveerd besluit om al dan niet de ontheffing te verlenen. Over de omvang van de voorraad sociale huurwoningen, de sloop vernieuwing of verkoop van deze woningen worden, dan wel zijn, met de woningcorporaties aparte afspraken gemaakt, in de Prestatieafspraken Kaag en Braassem 2013-2014. Kernpunt hierin is de permanente aandacht voor een dynamische voorraad sociale huurwoningen. Om deze voorraad te monitoren worden parameters benoemd of ontwikkeld. Daarnaast zijn maatwerkafspraken van belang rondom concrete herstructureringsprojecten.

Rechtspraak bij dit artikel