Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2

Artikel 5

Afzien van (verdere) terugvordering na het voldoen aan de betalingsverplichting naar draagkracht

Onderdeel van Beleidsregel terug- en invordering, verhaal en krediethypotheek Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 Goeree-Overflakkee

Burgemeester en wethouders zien af van verdere terugvordering van leenbijstand voor inrichtingskosten, indien de belanghebbende heeft voldaan aan de opgelegde aflossingsverplichting. In afwijking van artikel 2, aanhef en eerste lid, onder b, zien burgemeester en wethouders slechts af van verdere terugvordering van een niet-fraudevordering, indien de belanghebbende: gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en tenminste vijftig procent van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of gedurende vijf jaar niet volledig aan zijnbetalingsverplichting heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald en tenminste vijftig procent van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en het niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten. In afwijking van artikel 2, aanhef en eerste lid onder i, zien burgemeester en wethouders slechts af van verdere terugvordering van een fraudevordering, indien de belanghebbende: gedurende tien jaar volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en ten minste vijftig procent van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of gedurende tien jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan,maar het achterstallige bedrag over die periode en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald en tenminste vijftig procent van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of gedurende tien jaar geen betalingen heeft verricht en het niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten. Een besluit als bedoeld in het eerste en tweede lid, onder a en b, wordt in beginsel ambtshalve genomen. De in het eerste lid onder a en b genoemde termijn van vijf jaar wordt verlaagd naar drie jaar, indien door de debiteur wordt aangetoond dat het gemiddelde inkomen van de debiteur in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d Rv niet te boven is gegaan, waarbij onverkort de voorwaarde geldt dat vijftig procent van de hoofdsom van de vordering moet zijn voldaan op het moment van verzoek van de debiteur tot verlaging van de termijn van vijf jaar naar drie jaar

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel