Naar hoofdinhoud
1.. Indien de belanghebbende volgens de uitkomst van de taaltoets de vaardigheden in de Nederlandse taal beheerst op referentieniveau 1F, wordt hem door middel van een besluit meegedeeld dat hij voldoet aan de taaleis. 2.. Indien de belanghebbende volgens de uitkomst van de taaltoets de vaardigheden in de Nederlandse taal niet voldoende beheerst: wordt hem binnen 2 weken meegedeeld dat het redelijk vermoeden bestaat dat hij niet of niet in voldoende mate de Nederlandse taal beheerst die noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; en wordt hij uitgenodigd voor een gesprek dat plaats zal vinden binnen 4 weken. Tijdens dit gesprek wordt hij geïnformeerd over de uitkomst van de taaltoets en de gevolgen daarvan en wordt hij in de gelegenheid gesteld zich bereid te verklaren aan te vangen met het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal. 3.. Indien de belanghebbende zich bereid verklaart aan te vangen met het verwerven van de taalvaardigheden, ondertekent hij een bereidverklaring. Het Dagelijks Bestuur bevestigt de ontvangst van de bereidverklaring en deelt de belanghebbende tevens mee dat de bijstand niet zal worden verlaagd volgens het bepaalde in artikel 18b, eerste lid, van de wet, zolang hij voldoet aan de voortgang die van hem verwacht mag worden. 4.. Indien de belanghebbende zich niet bereid verklaart aan te vangen met het verwerven van de taalvaardigheden, of de bereidverklaring niet binnen 1 maand na het gesprek heeft ondertekend, verlaagt het Dagelijks Bestuur de bijstand voor de duur van zes maanden met 20% van de bijstandsnorm, met ingang van de datum waarop de belanghebbende in kennis is gesteld van de uitkomst van de taaltoets. 5.. De bijstand wordt niet verlaagd indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel