Naar hoofdinhoud
5.1 Inleiding In paragraaf 4.2 is aangegeven welke investeringen (kunnen) worden geactiveerd en welke niet. De lasten van de investeringen die geactiveerd (kunnen) worden bestaan uit afschrijving en eventueel rente. In dit hoofdstuk wordt de afschrijving behandeld. Voor het inzicht in de activa en de toekomstige benodigde middelen om (vervangings) investeringen te kunnen doen is het belangrijk consequent en onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar af te schrijven, zoals geregeld in artikel 64 BBV. De afschrijving is daarmee afhankelijk van de verwachte toekomstige levensduur. Indien er sprake is van duurzame waardevermindering of indien het actief eerder buiten gebruik gesteld wordt, is het mogelijk om resultaatonafhankelijk extra af te schrijven (artikel 65 BBV). Een kenmerk van vaste activa is dat ze hun nut over meerdere jaren bewijzen. De levensduur van vaste activa is echter niet oneindig. Door technische slijtage of economische veroudering neemt de gebruikswaarde af en daarmee de waarde in het economisch verkeer. Het zichtbaar maken van deze waardevermindering van activa wordt afschrijven genoemd. Kapitaallasten bestaan uit lasten van afschrijving die ten laste van de exploitatie moeten worden gebracht en eventueel rente. In het BBV worden, net als voor de waardering van activa, kaders gesteld waaraan de afschrijvingen moeten voldoen (artikel 64 BBV). Er wordt echter geen sluitend systeem voorgeschreven. Een gemeente zal zijn eigen invulling moeten geven aan de wijze waarop de afschrijvingen worden vastgesteld. Over deze invulling gaat het in dit hoofdstuk. Bij het bepalen van de afschrijving dient een aantal aspecten in ogenschouw genomen te worden, te weten: de levensduur, die van belang is voor het bepalen van de afschrijvingsperiode; wijze van afschrijving. 5.2 De levensduur In het BBV is bepaald dat op vaste activa met een beperkte gebruiksduur in beginsel jaarlijks wordt afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur (artikel 64.3 BBV). De levensduur (ofwel de gebruiksduur) van vaste activa wordt bepaald door technische slijtage en economische veroudering. Tussen deze twee soorten levensduur zit verschil, te weten: de technische levensduur is de periode waarin het technisch mogelijk is het actief te gebruiken; de economische levensduur is de periode waarin het actief naar schatting ook economisch kan worden gebruikt, dat wil zeggen dat het afgestane nut opweegt tegen de kosten. De economische levensduur wordt gehanteerd voor het bepalen van de afschrijvingstermijn. Omdat de economische levensduur gebaseerd is op een schatting zullen hiervoor richtlijnen moeten worden opgesteld voor de diverse vaste activa. Hierbij moet rekening gehouden worden met de wettelijk voorgeschreven termijnen voor een aantal vaste activa. Dit betreft: het activeren van disagio: maximale afschrijvingstermijn is gelijk aan de looptijd van de lening; kosten onderzoek en ontwikkeling: maximale afschrijvingstermijn is 5 jaar. De meest effectieve en eenvoudige manier om tot deze richtlijnen te komen is het opstellen van een overzicht waarin per activasoort de levensduur wordt weergegeven. De levensduur is dan gelijk aan de termijn waarover de activa wordt afgeschreven. Deze tabel is opgenomen in bijlage II. Deze tabel is bij het opstellen van deze nota opnieuw kritisch bekeken en waar nodig aangepast aan de gangbare afschrijvingstermijnen voor gebruik. Deze veranderingen zijn aangebracht: Was Wordt Kunstgrasveld 40 jaar Kunstgrasveld onderlaag 40 jaar, toplaag 10 jaar Geen specificatie Terreinverlichting masten 40 jaar, armaturen 15 jaar Openbare verlichting armaturen 15 jaar Openbare verlichting armaturen 20 jaar Openbare verlichting masten 30 jaar Openbare verlichting masten 40 jaar Automatisering programmatuur 5 jaar Automatisering programmatuur 4 jaar In de Jaarrekening van de gemeente wordt in het hoofdstuk Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling opgenomen volgens welke afschrijivingsmethode de investeringen worden berekend en voor welke hoofdcategorie welke afschrijvingstermijnen gehanteerd worden. Deze zijn gebaseerd op de dan geldende Activanota. 5.3 Wijze van afschrijving Er zijn verschillende methoden om op basis van de afschrijvingsduur te komen tot de afschrijving per periode waaraan de lasten worden toegerekend. Deze belangrijkste methoden zijn: afschrijving op basis van een vast bedrag per periode (lineair); progressief afschrijven per periode (annuïtair); degressief afschrijven per periode (percentage van de boekwaarde); variabele afschrijving per periode (afhankelijk van gebruik). De twee meest voorkomende afschrijvingsmethoden zijn de lineaire en de annuïtaire methode. Op deze methoden wordt hieronder nader ingegaan. Ter illustratie van het onderscheid tussen beide methoden wordt in onderstaande figuur het verloop van de jaarlijkse afschrijvingslasten weergegeven gedurende 10 jaar voor een investering van € 10.000 bij een fictief rentepercentage van 3% met lineaire en annuïtaire afschrijving. Het rentepercentage is fictief omdat de gemeente Opmeer met ingang van de vernieuwde BBV (1-1-2017) geen rente meer toerekent aan de vaste activa en taakvelden (zie uitgebreider toelichting in hoofdstuk 6 Rente), maar een rentepercentage wel noodzakelijk is om de hoogte van de annuïtaire afschrijving te bepalen. Illustratie afschrijvingslasten per jaar bij lineair en annuïtair afschrijven: Lineair afschrijven (zonder rentetoerekening) Lineair afschrijven is afschrijven op basis van een vast percentage van de historische kostprijs. Bij deze methode bestaat een evenredige spreiding van de afschrijvingslasten over de gebruiksperiode. Aangezien er geen rente meer wordt toegerekend bij de gemeente Opmeer sinds de vernieuwing van de BBV blijven de (afschrijving)lasten in de loop van de gebruiksperiode gelijk. De boekwaarde neemt gedurende de gebruiksduur regelmatig af, wat goed aansluit bij het economisch nut gedurende de gebruiksduur. Afschrijven op basis van annuïteit (zonder rentetoerekening) Bij afschrijven op basis van annuïteit stijgt de jaarlijkse afschrijving gedurende de gebruiksduur en daalt de rente met hetzelfde bedrag. Omdat er geen rente meer wordt toegerekend bij de gemeente Opmeer sinds de vernieuwing van de BBV vertaalt dit zich in jaarlijks stijgende kosten. Bij deze methode wordt in de eerste jaren dus relatief weinig afgeschreven en in de laatste jaren relatief veel. Dit kan nadelig uitvallen bij verkoop van een actief binnen een paar jaar na de ingebruikname omdat de boekwaarde mogelijk hoger is dan de verkoopopbrengst. Uitgangspunt: lineair Zowel in de private- als in de overheidssfeer wordt de lineaire methode voor afschrijvingen het meest toegepast. De gemeente kan voor de vastgestelde categorieën van activa slechts voor één afschrijvingsmethode kiezen (BBV Notitie materiele vaste activa oktober 2017). De gemeente Opmeer kiest onveranderd voor de lineaire afschrijvingsmethode voor alle categorieën. De Raad van Jaarverslaggeving heeft in richtlijn RJ 645 bepaald dat vanaf 2012 de annuïtaire afschrijvingsmethode niet meer geldt voor corporaties en dat alleen lineaire afschrijving is toegestaan. Met ingang van 2012 wordt daarom bij het Woningbedrijf de lineaire methode toegepast. 5.4 Extra afschrijvingen In het BBV is onderscheid gemaakt tussen materiële vaste activa met een economisch, materiële vaste activa met een economisch nut waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven én materiële vaste activa met een maatschappelijk nut. Alle drie soorten investeringen moeten sinds de vernieuwing van de BBV geactiveerd worden. Investeringen mogen niet resultaatafhankelijk worden afgeschreven (artikel 64 BBV). 5.5 Het toerekeningbeginsel Op basis van het toerekeningbeginsel worden afschrijvingen ten laste van de exploitatie gebracht. Het toerekeningbeginsel houdt in dat gezocht wordt naar het juiste moment om kosten te verantwoorden in de exploitatie. In het verlengde van het baten- en lastenstelsel betekent dit dat kosten worden toegerekend aan de periode waar ze betrekking op hebben. Voor activa betekent dit dat niet de gehele investeringslast in één jaar tot uitdrukking wordt gebracht, maar dat gedurende de hele periode dat de activa haar nut afgeven, de lasten tot uitdrukking komen in de exploitatie. Door activa af te schrijven over de jaren waaraan zij haar nut afstaat, wordt aan dit beginsel invulling gegeven. 5.6 Afschrijven op grond Onder de duurzame productiemiddelen wordt in de bedrijfseconomie aan grond een bijzondere plaats toegekend. Grond is normaliter niet aan slijtage onderhevig en ondergaat daarom geen waardevermindering. Er bestaat geen noodzaak tot afschrijving. Uitzondering zijn gronden waaruit delfstoffen e.d. worden gewonnen of indien grond vervuild is. Op grond wordt in beginsel dan ook niet afgeschreven. 5.7 Handhaving afgeschreven eigendommen Van belang voor het administratieve beheer van activa is dat alle activa geregistreerd worden. Activa die afgeschreven zijn en niet worden verkocht, dienen op de activastaat gehandhaafd te blijven. De redenen zijn inzicht in de bezittingen en het kunnen bepalen van aanwezigheid van stille reserves. Daarnaast spelen er aspecten als verzekering en aansprakelijkheid. Dit beleid zal worden voortgezet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel