Lid 1
De aan de belanghebbende verstrekte dienstkleding blijft, behoudens het bepaalde in het derde lid van dit artikel en de gevallen waarin geen draagtijden zijn vermeld, het eigendom van de gemeente zolang de daarvoor vastgestelde draagtijd niet is verstreken;
Lid 2
Wanneer de draagtijd, als bedoeld in het eerste lid, is verstreken, gaat de bedrijfs- en uniformkleding zonder betaling in eigendom aan de belanghebbende over;
Lid 3
Zolang de draagtijd, als bedoeld in het eerste lid, nog niet is verstreken, wordt ingeval van overlijden of ontslag met gelijktijdige toekenning van pensioen, wachtgeld of uitkering aan de belanghebbende, de bedrijfskleding aan hem of zijn weduwe zonder betaling overgedragen, nadat de merktekenen, welke hierop door of vanwege de gemeente zijn aangebracht, zijn verwijderd;
Lid 4
Wanneer bepaalde kledingstukken, waarvan de draagtijd als bedoeld in het eerste lid nog niet is verstreken, door verandering van functie of door verandering in de wijze van uitvoering van een functie niet meer tot de dienstkleding van belanghebbende behoren, dienen deze door hem te worden te worden ingeleverd;
Lid 5
Ingeval van schorsing of ontslag, niet zijnde een ontslag met gelijktijdige toekenning van pensioen, wachtgeld of uitkering, dient belanghebbende de dienstkleding, waarvan de draagtijd niet is verstreken, op de laatste werkdag in te leveren;
Lid 6
Het voorgaande is eveneens van toepassing in het geval, als bedoeld in het zesde lid, binnen de minimum draagtijd, de belanghebbende geldelijk aansprakelijk worden gesteld, tenzij deze kan aantonen, dat deze de reden van vervroegde verstrekking niet heeft kunnen voorkomen.