1. De navolgende eisen worden gesteld:
a. elektriciteitskabels dienen een nominale kerndoorsnede van tenminste 2,5 kubieke millimeter te hebben;
b. de kabellengte dient maximaal 25 meter te bedragen, tenzij anders bepaald;
c. elektrische verlichting dient zo te worden gemonteerd dat deze niet in aanraking kan komen met gemakkelijk brandbare stoffen;
d. losse kabels, die in de looppaden op de grond liggen, moeten afgedekt worden met afdekmatten, zulks ter goedkeuring van de marktmeester;
e. het gebruik van bouwlampen en straalkachels is niet toegestaan.
f. de elektrische installatie in de verkoopinrichting voldoet aan NEN 1010 en de eisen van de energieleverancier.
g. toestellen en installaties uitgevoerd zijn conform Europese veiligheidsregels (waaronder de zogenaamde ‘machinerichtlijn’) en voorzien zijn van het CE-keurmerk.
h. gasgestookte toestellen en installaties die na oplevering door de fabrikant (conform Europese veiligheidsregels/CE) nog aan een installatieproces worden onderworpen, vóór de eerste ingebruikneming gekeurd worden door een erkende installateur; van deze keuring dient een rapport aanwezig te zijn binnen de verkoopinrichting; de keuring kan feitelijk een onderdeel zijn van het installatieproces.
2. Het is een houder van een standplaats zonder ontheffing van het college verboden:
a. voor de verlichting van zijn standplaats gebruik te maken van andere dan elektrische verlichting;
b. elektrische stroom van een ander te betrekken dan degene die door het college voor het leveren van elektriciteit is aangewezen.
HOOFDSTUK 3.
Artikel 28