> Gebruikelijke hulp
Gebruikelijke hulp is de ondersteuning waarvan we als samenleving verwachten dat mensen dit uit normale betrokkenheid aan elkaar verlenen. De wet definieert het als de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.
Het betreft de normale dagelijkse zorg, zoals taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, administratie, bezoek aan familie, /instanties en dergelijke. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind 4 Kinderen vanaf 12 jaar., maar zijn ook inwonende ouders. Of sprake van inwoning wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, waarbij er geen zaken zoals huisnummer, kosten nutsvoorzieningen en voordeur door elkaar lopen. Bij gebruikelijke hulp wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren bijvoorbeeld door hun eigen kamer schoon te houden en/of door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen en het helpen bij de afwas. Bij gebruikelijke hulp wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Bij het zware en licht huishoudelijk werk gaat bijvoorbeeld het veelal om uitstelbare taken. Alleen als schoonmaken niet kan blijven liggen (regelmatig geknoeide vloeistoffen en eten) zal dat direct moeten gebeuren.
> Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn in principe voor iedereen beschikbaar, of mensen nu wel of geen beperking hebben. Wat in een concrete situatie algemeen gebruikelijk is, hangt vaak af van de geldende maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag (en kan ook per doelgroep verschillen). Algemeen gebruikelijke voorzieningen hoeven niet vanuit de Wmo te worden verstrekt.
Vanuit de jurisprudentie is vastgesteld dat een algemeen gebruikelijke voorziening:
niet speciaal bedoeld voor mensen met een beperking én;
in de reguliere handel verkrijgbaar, én
in prijs vergelijkbaar met soortgelijke producten.
Algemeen gebruikelijke voorzieningen betreffen vaak commerciële diensten zoals een glazenwasser, en boodschappenservice van de plaatselijke supermarkt. Maar ook de wasmachine, droger, rollator, elektrische fiets en thermostatische kranen zijn algemeen gebruikelijk. Net als veel woningaanpassingen (zie resultaatveld D3 in hoofdstuk 4), de kinderopvang, het tuinonderhoud, gemaksdiensten van de zorgverzekeraar en allerlei commercieel sportaanbod. Er moet wel een beoordeling plaatsvinden of een voorziening voor de betreffende inwoner in deze situatie als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd.
> Informele ondersteuning
In het gesprek dat het zorgteam Koggenland in de onderzoeksfase voert met een cliënt zal naast de gebruikelijke zaken ook de mogelijkheden van informele ondersteuning aan de orde komen. De wet onderscheidt twee vormen van informele ondersteuning: mantelzorg en hulp vanuit het sociale netwerk. Hoewel er in de praktijk nogal eens overlap lijkt te zijn tussen beide begrippen kan het voor een uiteindelijke inzet van een maatwerkvoorziening wel van belang zijn om dit onderscheid helder aan te brengen in het onderzoek.
Verleent iemand structureel meer dan gebruikelijke hulp aan een naaste dan noemen we dit mantelzorg. Wettelijk is dit gedefinieerd als de hulp zoals bedoeld in de Wmo, de Jeugdwet en Zorgverzekeringswet die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. We spreken van structurele ondersteuning als deze valt te typeren als ‘zwaar, omvangrijk en met een hoge mate van verplichting’.
Mantelzorg is geen formele afwijzingsgrond voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Om drie redenen is het echter wel van belang om vast te stellen of er al dan niet mantelzorg wordt geboden:
Volgens de Wmo kan ook een maatwerkvoorziening worden verstrekt om de mantelzorger te ondersteunen;
Tijdens het onderzoek kan worden geconcludeerd dat er structurele ondersteuning nodig is maar dat er toch (vooralsnog) wordt afgezien van een maatwerkvoorziening omdat iemand dit al vrijwillig vanuit sociale betrokkenheid op zich heeft genomen.
Tijdens het onderzoek kan worden geconcludeerd dat er structurele ondersteuning nodig is, dat iemand dit al vrijwillig vanuit sociale betrokkenheid op zich heeft genomen, maar dat dit als te intensief wordt ervaren en er daarom toch een maatwerkvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een pgb.
Daarnaast gebruikt de wet nog het begrip ‘sociaal netwerk’ om aan te geven dat van ‘personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt’ verwacht wordt om af en toe iemand te helpen die ondersteuning nodig heeft. Dit ‘af en toe’ onderscheidt ze van mantelzorgers, maar wordt wel beschouwd als een vorm van sociale betrokkenheid die voor gaat op formele ‘maatschappelijke ondersteuning’.
Tijdens het onderzoek zal er dus met de cliënt moeten worden geïnventariseerd waar er al mantelzorg wordt geboden en waar aanvullend iemand uit de familie, de wijk, de vriendenkring, het verenigingsleven, enz. kan bijspringen. Bij deze inventarisatie dient er speciale aandacht te zijn voor mantelzorg dat 'intensief' van aard is en dat zonder verdere praktische of financiële ondersteuning niet is vol te houden.
Een pgb is echter niet altijd gewenst en ook niet echt noodzakelijk. Vaak kan een mantelzorger er wel weer tegen aan als hij in praktische opzicht wordt ondersteund of ontlast. Dergelijke ondersteuning kan zowel vanuit een algemene voorziening als vanuit een maatwerkvoorziening worden aangeboden. Als we mantelzorgers tijdelijk ontlasten in zijn taken, spreken we van respijtzorg.
> Respijtzorg
Voor veel mantelzorgers hoeft geen frequente ondersteuning te worden ingezet, maar volstaat respijtzorg. Bij respijtzorg neemt iemand de verantwoordelijkheid over van de mantelzorgers voor een paar uren of dagen. Soms is hiervoor maatwerk nodig, maar meestal kan dit worden georganiseerd vanuit een algemene voorziening zoals bijvoorbeeld de vrijwilligers van het zorgteam Koggenland.
Cliënten die een bepaalde mate van toezicht nodig hebben, kunnen in bepaalde situaties gebruik maken van kortdurend verblijf om hun mantelzorger tijdelijk te ontlasten. Deze tijdelijke opvang in bijvoorbeeld een gehandicapteninstelling, verpleeghuis of verzorgingshuis kan als een maatwerkvoorziening worden verstrekt.
> Algemene voorzieningen
De definitie van een algemene voorziening in de Wmo 2015 luidt: “een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie, of op opvang”. Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen voorzieningen in de markt, waarmee de gemeente geen bemoeienis heeft en voorzieningen die geheel of gedeeltelijk door de gemeente worden bekostigd. De gemeente heeft volgens de wet wel een verantwoordelijkheid om te zorgen dat er algemene voorzieningen zijn ter bevordering van de zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang aan alle inwoners die maatschappelijke ondersteuning behoeven. Dit geldt weer niet voor de algemeen gebruikelijke voorzieningen, waar de gemeente meestal ook niet bij betrokken is.
In de inleiding is al aangegeven dat er geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt als de benodigde ondersteuning ook door middel van een algemene voorziening kan worden georganiseerd. In de jurisprudentie is de afgelopen jaren bepaald dat deze ondersteuning dan wel passend, feitelijk beschikbaar en financieel mogelijk zijn. Deze voorwaarden zijn inherent aan de maatwerk-gedachte van de Wmo. Na de melding van een ondersteuningsvraag wordt er namelijk altijd onderzoek gedaan naar de persoonlijke situatie van de cliënt.
De zin ”zonder voorafgaand onderzoek toegankelijk” moet wel in de context worden bekeken. Het betekent dat de gemeente voor deze voorziening geen beschikking afgeeft en dat de bevindingen van het onderzoek grondig worden beargumenteerd en vastgelegd in een verslag. Wel zal de aanbieder van een algemene voorziening altijd moeten toetsen of iemand tot de gestelde doelgroep behoort. Als een gemeente subsidie verstrekt voor een algemene subsidie dan is dat namelijk vaak ten behoeve van een specifieke doelgroep. Bijvoorbeeld algemeen maatschappelijk werk voor mensen die even het overzicht kwijt zijn in hun leven, welzijnswerk gericht op ouderen of een passantenverblijf voor daklozen.
Andere voorbeelden van algemene voorzieningen zijn peuterspeelzalen, scholen, schuldhulpverlening, de GGD, jongerenwerk, informatie en advieswerk, sportvoorzieningen, sociale alarmering, cliëntondersteuning, 0e en 1e lijns ondersteuning van het Zorgteam Koggenland. De landelijke eigen bijdrageregeling is niet van toepassing op algemene voorzieningen. Het college bepaalt per algemene voorziening of hier een eigen bijdrage voor wordt gevraagd.
> Dwarsverbanden domeinen en regelgeving
De Wmo-doelstelling 'maatschappelijke ondersteuning' is zo breed dat het soms lastig is om de scores uit de zelfredzaamheidsmatrix te vertalen naar concrete resultaten. Bovendien bestaat het risico dat er onterecht factoren worden meegewogen die niet relevant zijn in het kader van de Wmo, met name als het voorliggende wetgeving betreft. Daarom wordt hier verwezen naar de standaard van de International Classification of Functioning (ICF).
Dit is een classificatiemodel dat vanuit een integrale benadering zicht geeft op de afzonderlijke perspectieven van een problematiek: externe factoren, de lichamelijke functies, het handelen bij activiteiten en deelname aan het maatschappelijk leven. Door de driedeling “handelen-functies-maatschappij” toont deze standaard het verband tussen de vier thema's die in hoofdstuk 4 worden gebruikt, het integrale gezondheidsbegrip dat in het vorige hoofdstuk werd aangehaald en het wettelijk kader van zowel de Wmo (zelfredzaamheid en participatie) als de Wet langdurige zorg (Wlz), Zorgverzekeringswet (Zvw) en Participatiewet. Dit geeft extra duidelijkheid over:
de factoren die niet beïnvloedbaar zijn;
het verband tussen zelfredzaamheid en handelen;
het verschil tussen participatie en voorliggende wet- en regelgeving.
Voorheen was het gebruikelijk om een onderscheid te maken in doelgroepen op basis van gezondheidsproblemen en zorgtrajecten (lichamelijk, verstandelijk of psychische beperkingen). Daarbij werden enkele classificatiemodellen gebruikt om tot een nauwkeurige indicatie te komen. Hoewel de verleiding groot is om deze ook binnen de Wmo te gaan gebruiken, kiezen we daar in deze beleidsregels bewust niet voor. Een uitgebreide indeling van aandoeningen, stoornissen, en dergelijke doet namelijk geen recht aan het integrale karakter van de Wmo en de kanteling ('zorgen voor') naar het ondersteunen van beperkingen (‘zorgen dat’). Wel kan de ICF-standaard nuttig zijn als naslag bij 'het gesprek'. In tegenstelling tot andere modellen heeft ICF namelijk als doel om meerdere perspectieven op beperkingen met elkaar te verbinden.
Dit kan helpen bij de vertaalslag van de conclusies uit de zelfredzaamheidsmatrix naar de concrete resultaatvelden in de beschikking. Want wat als iemand laag scoort op meerdere levensgebieden? Waar is dan primair maatschappelijke ondersteuning nodig? De ICF-indeling helpt bij het komen tot de analyse van gewenst resultaat en in te zetten maatwerkvoorziening.
Het laat zien dat zelfredzaamheid uiteindelijk steeds draait om het al dan niet kunnen handelen. Om tot een concreet resultaat te kunnen komen, zal het zorgteam Koggenland zich wel moeten afvragen in hoeverre iemand zijn handelen:
in praktische zin beperkt is (thema ‘Dagelijks thuis’);
of beperkt is in de omgang met anderen (thema ‘Relaties’).
Tevens kan de ICF-standaard helpen bij verwarring rondom het begrip ‘participatie’. Zo dient het zorgteam Koggenland zich altijd af te vragen in hoeverre:
in hoeverre lichamelijke functies om directe zorg vragen (geen Wmo) en waar het de dagelijkse participatie beperkt (thema ‘Gezondheid’);
in hoeverre er moet directe activering nodig is (geen Wmo) en wanneer een gebrek daaraan de participatie in de maatschappij beperkt (thema ‘Meedoen’);
Er wordt alleen begeleiding ingezet bij matige of zware beperkingen in het handelen. Bij lichte beperkingen is doorgaans nog steeds sprake van volledige zelfredzaamheid, waardoor iemand ook in staat is om zijn participatie zelf te organiseren. In bijlage D gaan we dieper in op het onderscheid in (de zwaarte van) de volgende beperkingen: sociale redzaamheid (waaronder bewegen/verplaatsen), psychisch functioneren, geheugen en oriëntatie en gedrag.
Wanneer er ondersteuning nodig is bij uitval van lichamelijke functies of bij het activeren van iemand is dit in directe zin geen verantwoordelijkheid die valt onder Wmo 2015 maar onder de Wlz, de Zorgverzekeringswet (ZvW) respectievelijk de Participatiewet. Maar vaak is er bij zorg en activering ook enige begeleiding nodig. En dan raakt iemand zijn fysieke/geestelijke toestand (Gezondheid) en dagbesteding (Meedoen) aan de wettelijke definitie van participatie: deelnemen aan het maatschappelijk verkeer.
De Wlz is altijd voorliggend aan de Wmo in situaties dat iemand is aangewezen op permanent toezicht en 24 uur per dag zorg in de nabijheid, ook als degene deze zorg thuis ontvangt. In 2015 blijven hulpmiddelen en woningaanpassingen voor mensen met een Wlz-indicatie die nog thuis wonen in 2015 nog wel onder de Wmo vallen. Ook bij de Zvw gaat het om afgebakende aanspraken op zorg. We spreken dan eerder over persoonlijke verzorging en verpleging, maar ook over behandeling dat actief wordt ingezet ter verbetering van het functioneren (de aandoening/ stoornis/beperking zelf) of handelen (nieuw aan te leren vaardigheden en gedrag). Met name deze vormen van zorg gaan vaak nog samen met maatschappelijke ondersteuning vanuit de Wmo. Vandaar ook dat gemeenten en verzekeraars geacht worden om samen te werken, met de wijkverpleegkundige als centrale spil tussen verzorging en begeleiding. Behandeling kan worden geboden door bijvoorbeeld: ergotherapeut, psycholoog, specialist ouderen geneeskunde of in een revalidatiecentrum of een centrum gespecialiseerd in bepaalde problematiek (zoals een reuma-centrum). Begeleiding kan dan worden ingezet om de tijdens behandeling geleerde vaardigheden te oefenen of in te slijten. In het algemeen geldt dat de grens tussen zorg en begeleiding ligt bij de vraag of de aard van de hulp al (Zvw) dan niet (Wmo) lichaamsgebonden is.
Het zorgteam Koggenland moet er op letten dat ook de volgende (wettelijke) voorzieningen voorliggend zijn:
Onderwijs: begeleiding van kinderen met problemen is de verantwoordelijkheid van school. Tevens zijn er mogelijkheden vanuit de Wet passend onderwijs. Alleen in uitzonderlijke situaties; als toezicht en aansturen meer vraagt dan van school en ouders kan worden verwacht en de mogelijkheden vanuit de Wet passend onderwijs ontoereikend zijn kan begeleiding zijn geïndiceerd.
Kinderopvang: kinderopvang is verantwoordelijkheid van ouders, werkgever en overheid
(kinderopvangtoeslag). Kinderopvang is ook voor kinderen met een beperking voorliggend en het leren omgaan van leidsters met kind met een beperking is gebruikelijke hulp van ouders. Alleen in uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding nodig heeft die niet door leidsters kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwachten, kan begeleiding worden geïndiceerd.
Jeugdwet: Opvoedingsondersteuning voor alle ouders en ouders van kinderen met een beperking medisch kinderdagverblijf, specialistische hulp thuis, tijdelijke opname worden volgens de Jeugdwet geboden. Begeleiding kan is sommige gevallen ondersteunend op opvoedingsondersteuning thuis ter bevordering van de zelfredzaamheid van ouders worden geboden.
Arbeidsvoorzieningen: volgens de ziektewet, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) , Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong) en de Participatiewet zijn er mogelijkheden voor aangepast werk. Het uitgangspunt is dat als aangepast werk of speciaal onderwijs volgens genoemde regelingen niet mogelijk is dat dan begeleiding groep (dagbesteding)g kan worden overwogen.
Ten slotte is het zinvol om te letten op de raakvlakken met de taken die vanuit de Wet publieke gezondheid (Wpg) bij een gemeente liggen. Zoals de jeugdgezondheidszorg, preventieve ouderengezondheidszorg, gezondheidsbevordering, epidemiologie en monitoring/advisering ten behoeve van gezondheidsrisico’s. Ook de relatie tussen gezondheid en sociale veiligheid (zorgmijders) heeft in dat kader de aandacht van iedere gemeente. De GGD speelt in deze zaken een (sleutel)rol: het kan relevante verbindingen leggen, handelend optreden bij dreigende escalatie, collectieve preventie organiseren en veel informatie geven over gezondheidsvraagstukken.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.5