Naar hoofdinhoud

Artikel 6.2

Verplaatsen in en om de woning

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning (2019) Gemeente Halderberge

6.2.1 Rolstoelvoorziening Het verplaatsen in en om de woning kan op verschillende wijzen plaatsvinden: met een rollator, lopend met krukken, met een trippelstoel of met een rolstoel. Van deze voorzieningen valt uitsluitend de rolstoel onder de Wmo. Een rolstoel is een voorziening om het bestaande verplaatsingsprobleem in en om de woning te compenseren. Verplaatsen is vervoer over kleine afstanden, van enkele tientallen tot maximaal enkele honderden meters. Wie op grond van beperkingen geen andere mogelijkheid heeft dan zich verplaatsen met een rolstoel, kan een rolstoel toegekend krijgen. De resultaatverplichting daarbij bestaat uit het zich kunnen verplaatsen, al dan niet met hulp van anderen. Voor een individuele maatwerkrolstoel geldt nog als eis dat “dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning” noodzakelijk is. Het gaat om verplaatsingen die direct vanuit de woning worden gedaan. Daarom gaat het hier om cliënten die voor het dagelijks zittend verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel. Rolstoelen voor het zogenaamde ‘incidentele’ gebruik, waarbij de rolstoel in de auto wordt meegenomen om elders, bij het winkelen of bij uitstapjes, te gebruiken, vallen niet onder dit met een maatwerkvoorziening te bereiken doel. De algemene rolstoelvoorziening biedt mogelijkheden voor die cliënten die een rolstoel niet dagelijks maar incidenteel nodig hebben. Voor rolstoelen geldt dat voor kortdurend gebruik een beroep kan worden gedaan op de uitleen- of verhuurservice. 6.2.2 Aanpassingen aan de rolstoel Met aanpassingen wordt bedoeld; extra onderdelen die niet standaard op een rolstoel zitten (zoals comfort beensteunen of een werkblad), maar wel noodzakelijk zijn voor de cliënt. Accessoires zoals een boodschappenmand en een extra spiegel zijn doorgaans wenselijk, maar niet noodzakelijk en worden daarom niet vergoed. 6.2.3 Sportvoorziening Sporten kan een belangrijk middel tot participatie zijn. Wanneer het voor de cliënt zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn - dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport - kan een sportvoorziening worden verstrekt. Dat kan een sportrolstoel zijn maar ook een ander hulpmiddel. De aanvrager moet aantonen dat er sprake is van een actieve sportbeoefening. De ervaring leert dat sportclubs, sponsors of fondsen vaak bereid zijn een deel van de kosten te vergoeden. Bovendien kost sporten zonder beperking ook geld dus mag van de aanvrager zelf ook worden verwacht dat hij een deel van de kosten draagt. 6.3 Het wonen in een geschikte woning Om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen in de eigen leefomgeving (dat kan de eigen woning zijn of een geschiktere woning in dezelfde omgeving) zijn er tegenwoordig veel voorzieningen die dit mogelijk maken. In deze paragraaf een toelichting op verschillende soorten woonvoorzieningen en een aantal begrippen die bij de beoordeling van de noodzaak van een voorziening en in de jurisprudentie over dit onderwerp een rol spelen. Wij onderscheiden de volgende woonvoorzieningen:  losse woonvoorzieningen: voorzieningen die niet nagelvast, dus verplaatsbaar zijn (bijvoorbeeld een toiletstoel);  bouwkundige woonvoorziening: nagelvaste voorzieningen (bijvoorbeeld een aangepaste keuken);  verhuiskostenvergoeding. Voor kortdurend gebruik (maximaal zes maanden) zijn losse woonvoorzieningen te leen via de uitleendepots van thuiszorgaanbieders of hulpmiddelenleveranciers. Losse voorzieningen hebben als voordelen dat ze vaak snel kunnen worden ingezet, soms voordeliger zijn, vaak voor meerdere doeleinden kunnen worden ingezet (bijvoorbeeld: een douchestoel ook gebruiken om aan de wastafel te zitten of om op te zitten bij het aankleden) en meegenomen kunnen worden in geval van verhuizing. Losse voorzieningen zijn daarom veelal voorliggend op bouwkundige woonvoorzieningen. Een losse tillift is bijvoorbeeld te verkiezen boven een plafondlift. Losse woonvoorzieningen kunnen zowel in bruikleen als in eigendom worden verstrekt. Relatief goedkope hulpmiddelen (waarvan de kosten van transport en reiniging voor herverstrekking niet opwegen tegen de kosten van verstrekking van een nieuw hulpmiddel), zullen in eigendom worden verstrekt. 6.3.1 Algemeen gebruikelijke woonvoorzieningen Veel woonvoorzieningen zijn tegenwoordig in de reguliere handel te koop, worden ook door mensen zonder beperkingen gebruikt en worden daarom als algemeen gebruikelijk beschouwd. Voorbeelden hier van zijn:  verhoogde toiletpot;  eenvoudige wandbeugels (handgrepen);  hendelmengkranen en thermostatische kranen;  antislipbehandeling badkamervloer;  inloopdouche. Douchestoelen en losse toiletverhogers worden tegen redelijke prijzen in bouwmarkten en warenhuizen verkocht. Deze worden dan ook als algemeen gebruikelijk beschouwd. 6.3.2 Normaal gebruik van de woning Uit jurisprudentie blijkt dat een woningaanpassing als doel heeft normaal gebruik van de woning mogelijk te maken. Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn: slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel en het zich verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden in principe geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat het hier geen elementaire woonfuncties betreft. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals bijvoorbeeld een dialyseruimte en therapeutische baden. 6.3.3 Bezoekbaar Wanneer de cliënt in een Wlz-instelling woont, kan één woning waar hij regelmatig op bezoek komt (bijvoorbeeld van ouders) bezoekbaar worden gemaakt. Bezoekbaar houdt in dat de cliënt toegang heeft tot de woning, één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer) en het toilet. Er worden geen aanpassingen vergoed om logeren mogelijk te maken. 6.3.4Woningsanering Wanneer sprake is van aantoonbare beperkingen ten gevolge van COPD, astma of allergie (zolang de allergie niet voortvloeit uit de aard van de gebruikte materialen in de woning of de bouwtechnische staat van de woning) waardoor vervanging van vloerbedekking of gordijnen noodzakelijk is, kan hiervoor (onder voorwaarden) een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. In principe wordt alleen de slaapkamer gesaneerd. Bij kinderen onder de vier jaar kan ook de woonkamer worden gesaneerd (vloerbedekking en/of gordijnen). De hoogte van de financiële tegemoetkoming is afhankelijk van de afschrijvingstermijn van de te saneren artikelen: 100% als het artikel nieuwer is dan twee jaar; 75% als het artikel tussen de twee en vier jaar oud is; 50 % als het artikel tussen de vier en zes jaar oud is; 25% als het artikel tussen de zes en acht jaar oud is; 0% als het artikel acht jaar of ouder is. Bedragen op basis van Nibud prijzen (vloerbedekking, vinyl en jaloezieën). 6.3.7 Grote woningaanpassingen versus verhuizen In de oude Wmo kende men het verhuisprimaat, dat wilde zeggen dat de woning alleen werd aangepast wanneer verhuizen naar een geschikte woning niet mogelijk of niet de goedkoopst adequate oplossing was. Het verhuisprimaat werd opgelegd wanneer woningaanpassingen boven een bepaald normbedrag uit kwamen. Dit om te voorkomen dat de gemeente voor onbeheersbare kosten kwam te staan. In de nieuwe Wmo wordt de nadruk voor alle soorten aanvragen gelegd bij het onderzoek naar de persoonskenmerken en de mate waarin de aanvrager de noodzaak tot hulp of voorzieningen had kunnen voorzien. Als uiteindelijk een maatwerkvoorziening nodig is (dat kunnen woningaanpassingen zijn) wordt wel - onveranderd- de goedkoopst adequate voorziening verstrekt. Bij vooral grote woningaanpassingen zal dus nog steeds de afweging worden gemaakt of dit de goedkoopst adequate oplossing is. 6.3.8 Voorzienbaarheid Uit de criteria voor een maatwerkvoorziening in artikel 8 van de verordening blijkt dat de cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als de noodzaak tot ondersteuning redelijkerwijs niet vermijdbaar was, de noodzaak voor de voorziening niet voorzienbaar was of van cliënt niet verwacht kon worden dat hij maatregelen getroffen zou hebben die de hulpvraag overbodig hadden gemaakt. Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer men verhuist naar een woning waarvan bij verhuizing duidelijk is dat deze niet geschikt is voor de cliënt of zijn huisgenoten, men niet in aanmerking komt voor woningaanpassingen. 6.3.9Verhuiskosten Een verhuizing die samen hangt met een levensfase (bijvoorbeeld ouder worden en kleiner en gelijkvloers willen gaan wonen) is voorzienbaar. Deze verhuizingen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd en hiervoor heeft men geld kunnen reserveren. Hiervoor wordt geen verhuiskostenvergoeding verstrekt. Als men ten gevolge van plotseling opgetreden beperkingen onvoorzien met een verhuizing wordt geconfronteerd, dan kan bij de gemeente een aanmelding worden gedaan om met de Wmo professional in kaart te brengen welke mogelijkheden van bijstand en/of een maatwerkvoorziening er zijn. De cliënt dient zelf te zoeken naar geschikte woonruimte. Een cliëntondersteuner of een Wmo professional kan hierbij, indien nodig, tot op zekere hoogte ondersteuning bieden. 6.3.10 Gemeenschappelijke ruimten Het college zet geen maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing in, bijvoorbeeld automatische deuropeners, hellingbanen en/of het verbreden van een toegangsdeur, voor het aanpassen van een gemeenschappelijke ruimte. De (maatschappelijke) ondersteuning vanuit de Wmo is gericht op de aanvrager en strekt niet tot algemeen nut. Evengoed zal het college onderzoek doen naar de situatie van de cliënt om de situatie te beoordelen. 6.3.11 Kosten van onderhoud en reparatie Alle voorzieningen in natura, waarvan de kosten € 500, - of minder bedragen, zijn na verstrekking eigendom van de aanvrager. De aanvrager is zelf verantwoordelijk voor het onderhoud en reparatie van deze voorzieningen. Voor alle voorzieningen in natura die meer kosten dan € 500, - is de gemeente verantwoordelijk voor onderhoud, reparatie en de verzekering, mits er geen sprake is van nalatigheid van de cliënt; Het bedrag voor onderhoud en reparatie en voor verzekering van middels pgb verstrekte voorzieningen, wordt vastgesteld naar aanleiding van een pro-forma offerte van een hulpmiddelenleverancier, specifiek gericht op de desbetreffende voorziening. Het bedrag wordt vastgesteld voor vijf jaar en wordt uitgekeerd op declaratiebasis via de gemeente; Bouwkundige woonvoorzieningen in natura (met uitzondering van traplift en drempelhulpen) worden eigendom van de woningeigenaar. De woningeigenaar is verantwoordelijk voor onderhoud en reparatie van de voorzieningen; Trapliften en drempelhulpen worden altijd in bruikleen verstrekt. Deze zijn her inzetbaar, waardoor kapitaalvernietiging kan worden voorkomen.

Rechtspraak bij dit artikel