Het Treasurybeleid wordt uitgevoerd binnen de volgende algemene randvoorwaarden:
Het aangaan van leningen, het uitzetten van middelen en het verlenen van garanties zijn alleen toegestaan in het kader van de uitoefening van de publieke taak;
Uitzettingen hebben een prudent karakter en zijn niet gericht op het genereren van inkomsten door het aangaan van meer dan normale risico’s;
Financiering met externe financieringsmiddelen wordt zoveel mogelijk beperkt door primair de beschikbare interne financieringsmiddelen (eigen vermogen en voorzieningen) te gebruiken teneinde de renterisico’s en het renteresultaat te optimaliseren;
Er worden geen financieringen aangegaan met het enkele doel het aangetrokken geld tegen een hoger rendement weg te zetten;
Het gebruik van derivaten is niet toegestaan.
Toelichting:
De Wet Fido en de daarbij behorende regelingen stellen expliciet enkele kwalitatieve eisen aan de Treasuryfunctie van decentrale overheden. Deze eisen hebben betrekking op de beheersing van risico’s en komen samen in twee belangrijke randvoorwaarden namelijk; het prudente karakter en de publieke taak die gediend moet worden.
De Wet Fido geeft (in artikel 2, lid 1) aan dat het aangaan van leningen, het uitzetten van middelen en ook het verlenen van waarborgen en garanties uitsluitend zijn toegestaan voor de uitoefening van de publieke taak. Een gemeente kan – gemotiveerd en transparant – in principe zelf bepalen wat onder de publieke taak moet worden verstaan. De vraag wat wel of niet tot de publieke taak gerekend mag worden kent wel een spanningsveld. Is het verstrekken van een lening aan een sportvereniging bijvoorbeeld een publieke taak? Of het via het Stimuleringsfonds volkshuisvesting verstrekken van zogenoemde startersleningen?
De Wet Fido geeft (in artikel 2a, lid 2) aan dat bij het uitzetten van (tijdelijk) overtollige liquiditeiten en bij het gebruik van financiële derivaten sprake dient te zijn van prudent beheer. De Ruddo bevat een uitwerking van de Wet Fido op dit punt en stelt randvoorwaarden ten aanzien van uitzettingen en het gebruik van derivaten. Uitzettingen vallen onder de Wet Schatkistbankieren. Omdat overtollige middelen volgens de Wet Schatkistbankieren nagenoeg alleen maar in ’s Rijks schatkist mogen worden aangehouden en het gebruik van derivaten, volgens artikel 15 van de Financiële verordening gemeente Waddinxveen 2015 (incl. 1ewijziging), niet is toegestaan is er ten allen tijde sprake van prudent beheer.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.2.2
Artikel 3.
Artikel 3.
Onderdeel van Treasurystatuut gemeente Waddinxveen 2016