Naar hoofdinhoud
4.4.1Inleiding Het lokaal verplaatsen per vervoermiddel is de mogelijkheid om in de eigen woon- en leefomgeving te gaan en staan waar men wil. Het betreft het verplaatsen in het kader van het leven van alledag. 4.4.2Afwegingskader Bij lokaal verplaatsen gaat het om verplaatsingen in een straal van 15 tot 20 kilometer rond de woning. Een vervoersvoorziening of een combinatie van vervoersvoorzieningen is voldoende voor het maatschappelijk participeren in de directe woon- en leefomgeving voor het leven van alledag als die neerkomt op een aflegbare afstand van 1500 km per jaar (LJN:BU4334). Activiteiten waartoe een inwoner met beperkingen in ieder geval in staat moet worden gesteld zijn; winkelen/boodschappen doen bezoeken van familie/kennissen bezoeken bijeenkomsten en (sport)activiteiten bezoek van bank en postkantoor bezoek aan sociaal culturele instellingen recreatie en hobby bezoeken van ziekenhuizen Naast het bereiken van de bestemming is het ook van belang dat iemand zich op de plaats van bestemming kan verplaatsen. 4.4.3Eigen kracht Als eerste wordt onderzocht wat de eigen mogelijkheden van de inwoner zijn om het probleem op te lossen. Zo zijn bijvoorbeeld de kosten van het gebruik van de eigen auto algemeen gebruikelijk voor de middellange en lange afstanden, maar niet voor de bestemming op zeer korte afstand waar iemand zonder beperkingen lopend of op de fiets naar toe zou gaan. Kinderen tot en met 11 jaar verplaatsen zich onder begeleiding van de ouders. Kinderen tussen 12 en 16 jaar verplaatsen zich zelfstandig zonder begeleiding van de ouders. Ouders blijven wel verantwoordelijk. Voor verplaatsingen lokaal zijn een fiets met lage instap en trapondersteuning, het gebruik van een scooter/brommer of een ander gemotoriseerde tweewielige voorziening voorliggend en algemeen gebruikelijk. Voor het verplaatsen van kinderen tot een bepaalde leeftijd worden o.a. een aanhangfiets en bakfiets als algemeen gebruikelijk beschouwd. De kosten voor onderhoud- en reparatie voor onder andere aangepaste fietsen worden tevens beschouwd als algemeen gebruikelijk. 4.4.4Sociaal netwerk Het sociaal netwerk kan binnen dit resultaatgebied een grote rol spelen. Meerijden met iemand uit het sociale netwerk kan het probleem van de inwoner oplossen. Ook het verenigingsleven kan hierin een actieve rol spelen. Wanneer iemand lid is van een koor, een biljartvereniging, of graag een kerk wil bezoeken dan kan bekeken worden of andere leden bereid zijn inwoner mee te laten rijden. 4.4.5Algemene en voorliggende voorzieningen Het college bepaalt of er sprake is van algemene of voorliggende voorzieningen die het probleem kunnen oplossen; Pool van voorzieningen; betreft het een voorziening waarvan een pool in de nabije omgeving van de inwoner aanwezig is, dan wordt het gebruik van deze voorziening als voorliggend beschouwd op het verstrekken van een maatwerkvoorziening (bijvoorbeeld een rolstoel-,scootmobiel- of duo fietsenpool). Taxi; het gebruik van de reguliere taxi of de deeltaxi kan een adequate oplossing zijn voor een vervoersprobleem, zeker als het gaat om een laag frequent gebruik. Openbaar vervoer; het gebruik van het reguliere openbaar vervoer is voorliggend bij het zich verplaatsen. Kan men meer dan 800 meter lopen binnen een redelijke tijd dan mag ervan worden uitgegaan dat de bushalte kan worden bereikt. Voor de gemiddelde afstand tot een bushalte is in het verleden ongeveer 800 meter vastgesteld. Openbaar vervoer met begeleider; kan de inwoner niet zelfstandig met het openbaar vervoer reizen maar is dit wel mogelijk met begeleiding dan kan het probleem mogelijk opgelost worden met het gebruik van een OV begeleiderkaart. De OV begeleiderkaart is bruikbaar in trein, bus tram en metro. Er hoeft geen sprake te zijn van een vaste begeleider. De begeleider gaat gratis mee. Aanvragen kan telefonisch bij de NS. Zittend ziekenvervoer; voor vervoer van en naar het ziekenhuis kan in sommige gevallen een beroep worden gedaan op de regeling Zittend ziekenvervoer. Vergoeding voor ziekenvervoer is soms ook mogelijk via de aanvullende ziektekostenverzekering. De inwoner dient voor vervoer naar het ziekenhuis daarom altijd eerst de mogelijkheden via de zorgverzekeraar te onderzoeken. Belastingdienst; via de belastingdienst is er nog een vergoeding mogelijk via “reiskosten zieken- en leefvervoer” . Deze regeling kan aangesproken worden om een zieke in een instelling te bezoeken. UWV; gaat het om het vervoer in het kader van woon-werk dan betreft het een voorziening vanuit het UWV/WIA. Als de inwoner een vervoersvoorziening vanuit het UWV ontvangt dan kan deze mogelijk worden uitgebreid voor leefvervoer. Dit moet bij de UWV worden aangevraagd . Leerlingenvervoer; betreft het vervoer in het kader van school dan kan de regeling Leerlingenvervoer mogelijk van toepassing zijn. Valyspas; is er behoefte aan bovenregionaal vervoer dan kan er een beroep worden gedaan op Valys, indien men hiervoor in aanmerking komt. Met de Valyspas ontvangt de inwoner standaard een totaal aantal kilometers per jaar, bij een zeer ernstige mobiliteitsbeperking kan een inwoner in aanmerking komen voor een hoger persoonlijk kilometerbudget. Wlz; woont men in een instelling op basis van de Wlz en wordt er een voorziening aangevraagd om mee te kunnen doen met groepsuitjes dan is de instelling verantwoordelijk voor het mogelijk maken van deze activiteit. Indien de inwoner voor het uitvoeren van vrijwilligerswerk vervoer nodig heeft dan is het de verantwoordelijkheid van de organisatie om de inwoner hierin te ondersteunen. 4.4.6Maatwerkvoorziening Eerst wordt beoordeeld of het gebruik van de deeltaxi met een Wmo-pas een oplossing biedt voor het vervoersprobleem van de inwoner; primaat van collectief vervoer. Met een Wmo-deeltaxipas kan tegen een Wmo-tarief worden gereisd. Als het vervoersprobleem met het gebruik van de deeltaxi opgelost kan worden, dan gaat deze verstrekking vóór op het verstrekken van een (andere) maatwerkvoorziening. Of het collectief vervoer voldoende ondersteuning biedt in de situatie van de inwoner is afhankelijk van een specifieke afweging. Van belang bij de afweging zijn de onderstaande factoren: De medische situatie van de inwoner; is de inwoner met zijn beperkingen in staat gebruik te maken van de Deeltaxi? Indien nodig wordt advies gevraagd bij de medisch adviseur. De mobiliteit; als de inwoner minder dan 100 meter kan lopen dan zal beoordeeld moeten worden of er nog een andere ondersteunende voorziening noodzakelijk is voor het overbruggen van de korte afstand. Het vermogen van de inwoner om samen met anderen te kunnen reizen, zo nodig met begeleiding. Het verplaatsingspatroon; welke verplaatsingen betreft het en is de Deeltaxi een passende voorziening hiervoor? Wat is de verplaatsingsfrequentie en wat zijn de afstanden die men aflegt; welke ervan zijn in het kader van het leven van alledag noodzakelijk. Reist de inwoner alleen of zijn er huisgenoten zoals minderjarige kinderen, die mee moeten reizen? Wat is de wens versus de noodzaak van de verplaatsingen? Indien de inwoner in aanmerking komt voor een Wmo-deeltaxipas dan kan deze voor hetzelfde tarief een 2e persoon mee laten reizen. Zo kan de inwoner tegen het Wmo-tarief bijvoorbeeld zijn partner meenemen, ongeacht de beperkingen van de partner. Indien er sprake is van een verschillende vervoersbehoefte, en de partner heeft ook beperkingen, dan kunnen er twee Wmo-deeltaxipassen worden verstrekt. Voor de specifieke voorwaarden t.a.v. het vervoer met de deeltaxi wordt verwezen naar bijlage 5. Is het gebruik van de Deeltaxi in de situatie van de inwoner niet toereikend, dan wordt beoordeeld of de verstrekking van een andere maatwerk voorziening noodzakelijk is. Een inwoner kan in aanmerking komen voor een fietsvoorziening (bijvoorbeeld een driewiel(lig)fiets) indien de voorziening een passende bijdrage levert aan de participatie en zelfredzaamheid. Ten aanzien van de participatie betekent dit, dat de inwoner de fietsvoorziening nodig heeft om in contact te treden met anderen en om aan maatschappelijke activiteiten deel te nemen. Naast participatie kan de fietsvoorziening ook de zelfredzaamheid van de inwoner bevorderen. Bijvoorbeeld wanneer iemand er boodschappen mee doet of een bezoek aan de huisarts aflegt. De fietsvoorziening wordt in beide gevallen gebruikt voor verplaatsingen van A naar B. Indien de fietsvoorziening een passende bijdrage levert aan de wijze waarop de inwoner in staat is te ontspannen en recreëren, dan kan de fietsvoorziening ook voor dit doel worden verstrekt. Als vervoer per personenauto voor een inwoner noodzakelijk is, kan hij eventueel in aanmerking komen voor aanpassing van de personenauto. Dit zal zich met name voordoen in gezinssituaties, waarbij het collectief vervoer geen adequate oplossing biedt voor structureel vervoer van het gehele gezin. De autoaanpassing kan bestaan uit een PGB voor de aanpassing van de eigen personenauto, mits de personenauto nog geen 4 jaar oud is; in sommige gevallen is ook bij een oudere auto een aanpassing mogelijk, afhankelijk van de soort aanpassing, de overplaatsbaarheid daarvan en de kilometerstand. Het PGB wordt afgestemd op de goedkoopst adequate oplossing in een voor de betreffende aanpassing goedkoopst geschikte auto.

Rechtspraak bij dit artikel