Naar hoofdinhoud
4.5.1Inleiding Wanneer iemand beperkingen heeft kan dat op verschillende manieren leiden tot problemen binnen het huishouden. Onder het resultaat “voeren van een huishouden” verstaan we de volgende sub resultaten: Het hebben van een schoon en leefbaar huis de woning is schoon volgens algemeen aanvaardbare hygiëne normen Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding de kleding is schoon en draagbaar het linnengoed wordt met enige regelmaat gereinigd Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften de inwoner beschikt over de benodigde boodschappen de inwoner heeft 3 maaltijden per dag Het thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren de dagelijkse niet uitstelbare zorg voor kinderen wordt gecontinueerd wanneer ouders/verzorgers (tijdelijk) uitvallen 4.5.2Afwegingskader Tot een schoon en leefbaar huis behoren alleen de ruimten die - op het niveau van sociale woningbouw - voor dagelijks gebruik noodzakelijk zijn. Niveau sociale woningbouw betekent dat dit niveau als uitgangspunt wordt genomen. Daarbij kunnen persoonskenmerken en behoeften het noodzakelijk maken hiervan af te wijken. Het gaat om alle activiteiten teneinde de elementaire woonruimtes die dagelijks worden gebruikt, zijnde de woonkamer, hal/gang, slaapkamer, badkamer, keuken en toilet, schoon en leefbaar te houden. Het schoonmaken van een woning waar huisdieren aanwezig zijn, of het verzorgen van planten valt binnen de normtijden (bijlage 1). De dagelijkse kleding en het linnengoed moet met enige regelmaat worden gereinigd. Dit betekent het wassen, drogen en in bepaalde situaties strijken, opvouwen en opruimen. We spreken hier uitsluitend over normale kleding voor alledag en over (keuken) handdoeken en beddengoed zoals dekbedhoezen of lakens. Ten aanzien van het strijken betreft het alleen het strijken van de noodzakelijk bovenkleding. Het is heel normaal dat mensen de boodschappen geclusterd doen door eenmaal per week een grote voorraad in huis te halen. De Wmo sluit hierbij aan. Het uitgangspunt is dat het resultaat bereikt kan worden door eenmaal per week boodschappen te doen inzake levens- en schoonmaakmiddelen die dagelijks nodig zijn. In elk huishouden zijn boodschappen voor de dagelijkse activiteiten nodig. De ondersteuning beperkt zich tot levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen, producten die dagelijks/wekelijks gebruikt worden in elk huishouden. Hieronder vallen niet de grotere inkopen zoals kleding en duurzame goederen zoals apparaten. Bij het bereiden en klaarzetten van brood- en warme maaltijden gaat het normaliter om 3 maaltijden per dag. Er wordt uitgegaan van twee broodmaaltijden en een warme maaltijd per dag. De 2e broodmaaltijd kan tegelijk met de 1e worden bereid en klaargezet voor een later tijdstip. Het eten geven en het toezicht houden op het eten valt echter niet onder dit resultaat. Dit is een verantwoordelijkheid die valt onder de Zvw. Zijn er problemen met het bereiden van de broodmaaltijden dan is er over het algemeen sprake van een grote zorgafhankelijkheid. In deze situaties is er vaak al zorg van familie en persoonlijke zorg vanuit de Zvw aanwezig. De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste instantie een taak van de ouders. Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. De zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger) normaal gesproken geeft aan een kind. Dit is onder meer afhankelijk van leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind. Ook extra zorg bij kortdurende ziekte valt hieronder. Werkende ouders moeten er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beiden werken opvang voor de kinderen is. Dat kan op de manier waarop zij dat willen (oppas oma, kinderopvang), maar het is een eigen verantwoordelijkheid. Voor opvang en verzorging van kinderen wordt geen structurele ondersteuning geboden. Vanuit de Wmo kan alleen tijdelijk ondersteuning geboden worden als alle voorliggende mogelijkheden geen of onvoldoende oplossing bieden. 4.5.3Eigen kracht Allereerst beoordeelt het college in hoeverre er eigen mogelijkheden aanwezig zijn om het probleem op te lossen. Ten aanzien van het sub resultaat het hebben van een schoon en leefbaar huis kunnen oplossingen vanuit eigen kracht liggen in het bijstellen van de eigen normen die gehanteerd worden bij het schoonmaken van de woning of het zodanig inrichten van de woning dat deze makkelijker schoon te houden is. Een andere mogelijkheid is om de taken in kleinere gedeelten uit te voeren, waardoor dit wel vol te houden is. Ook het gebruiken van een hulpmiddel kan bepaalde activiteiten ondersteunen. Het afstoffen kan met een plumeau waardoor het hoog en laag stoffen mogelijk is. Daarnaast kan het zijn dat problemen opgelost kunnen worden vanuit aanwezige financiële mogelijkheden. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie waarin men al jaren op eigen kosten iemand voor de huishoudelijke werkzaamheden inhuurt. Als tegelijk met het optreden van de beperking geen inkomenswijziging heeft plaatsgevonden en er geen aantoonbare meerkosten zijn in relatie tot de handicap, is het oordeel in zijn algemeenheid dat er geen ondersteuning nodig is, omdat het probleem al opgelost is. Wat betreft de kleding kan worden uitgegaan van een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de keuze van kleding. Men kan bij de aanschaf namelijk kiezen voor kleding die niet hoeft te worden gestreken. Is er toch een behoefte aan het strijken van kleding dan kan men mogelijk zelf zittend strijken, als staan hierbij het probleem vormt. De aanschaf van een wasmachine en een droger zijn algemeen gebruikelijk. Er zijn kant-en-klaar maaltijden te koop in de supermarkt die soms (tijdelijk) een oplossing kunnen bieden wanneer er een probleem is met de bereiding van de warme maaltijd. De aanschaf van een magnetron om de maaltijden warm te maken is algemeen gebruikelijk. Voor wat betreft de zorg voor kinderen zal de ouder gebruik moeten maken van de voor haar/hem geldende regeling voor zorgverlof. Het recht op zorgverlof is vastgelegd in de wet. Het betreft zowel kortdurend als langdurend zorgverlof. Daarnaast is er ook recht op calamiteitenverlof en verlof voor ouders. Hierdoor kan iedere werknemer vrij nemen als het voor korte of langere tijd nodig is om een kind te verzorgen. Een onderzoek of deze vorm van verlof voor de inwoner financieel haalbaar is zal onderdeel uitmaken van het onderzoek. Daarnaast is het van belang te weten hoe het zit met de bereidheid van de werkgever om verlof te verlenen. 4.5.4Sociaal netwerk Na het onderzoeken van de eigen kracht, wordt gekeken wat het sociale netwerk kan betekenen in de oplossing van het probleem. Eerst wordt gekeken of er binnen het sociaal netwerk sprake is van gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaardbare opvattingen in redelijkheid verwacht mag worden van de huisgenoten van de inwoner. Voor uitleg van het begrip gebruikelijke hulp en de relatie met de beoordeling hiervan wordt verwezen naar bijlage 3. De inhoud van deze bijlage is afgeleid van het protocol gebruikelijke zorg zoals dit in 2007 ook onder de AWBZ werd gehanteerd. Ook buiten de leefeenheid kan bekeken worden wat mensen uit het sociale netwerk kunnen betekenen. Hierbij valt te denken aan uitwonende kinderen, buren, vrienden, overige familieleden, enzovoorts. Ondersteuning en hulp van deze mensen kan soms leiden tot het oplossen van het door de inwoner ervaren probleem. Er kan gedacht worden aan bereid zijn de boodschappen, was en strijk te doen en/of de maaltijden te bereiden. Ook het bereiden van broodmaaltijden kan overgenomen worden. Is er een huisgenoot die overdag niet aanwezig is, dan kan deze de broodmaaltijden voor de gehele dag klaarzetten. Normale gebruikelijke zorg voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Dat is niet anders in de situatie dat beide ouders mede door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de zorg voor de kinderen over. Is dit niet mogelijk dan zal men in die situatie een permanente oplossing moeten zoeken. Hierbij kan gedacht worden aan tijdelijke hulp van familie, vrienden en kennissen. Van een 18 tot 23 jarige huisgenoot mag verwacht worden dat hij of zij jongere gezinsleden verzorgt en begeleidt. Mogelijk zijn er opa’s en oma’s of buren die bereid zijn te ondersteunen. Of zijn er ouders van kinderen uit de klas die helpen met het brengen en halen van en naar school, of naar verenigingen. Allerlei kleine praktische zaken die door het sociaal netwerk opgevangen zouden kunnen worden. Tenslotte kunnen ook verenigingen of bijvoorbeeld de kerkgemeenschap waar een inwoner lid van is een handje helpen. Denk hierbij aan meerijden voor het doen van een boodschap, maaltijden regelen of helpen met het buitenzetten van de vuilcontainer. 4.5.5Algemene en voorliggende voorzieningen Een voorliggende voorziening is bijvoorbeeld het inschakelen van een boodschappenservice. Is men zelf niet in staat om boodschappen te doen en is er een boodschappenservice aanwezig dan wordt verwacht dat de inwoner hier gebruik van maakt. Is er een mogelijkheid om gebruik te maken van een maaltijdservice (diepvries of warm) dan gaat deze oplossing vóór op het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Wil de inwoner vanwege persoonlijke voorkeur geen gebruik maken van de maaltijdservice dan zal hij zelf voor een alternatief moeten zorgen. Verdere voorbeelden van algemene voorzieningen op dit resultaatgebied zijn de glazenwasser en was- en strijkservice. Ook het inschakelen van vrijwilligers wordt gezien als een algemene voorziening. Vrijwilligers kunnen op allerlei fronten ondersteuning bieden die kan leiden tot een oplossing van het probleem. Enkele voorbeelden zijn zorgen voor vervoer naar bijvoorbeeld de supermarkt, het meenemen van een boodschap, het verrichten van (kleine) huishoudelijke klusjes in de woning, naai- en verstelwerkzaamheden aan kleding. De ouder kan gebruik maken van (een combinatie van) crèche, opvang op school, buiten- of tussenschoolse opvang, gastouder e.d. Via de belastingdienst kan onderzocht worden of er aanspraak bestaat op kinderopvangtoeslag. Wanneer de inwoner hier niet voor in aanmerking komt, maar er is wel sprake van een sociaal-medische noodzaak tot kinderopvang, dan kan via de regeling richtlijnen tegemoetkoming bijzondere kosten van de gemeente bekeken worden of hier nog mogelijkheden voor vergoeding aanwezig zijn. Deze voorzieningen zullen eerst aangesproken moeten worden voordat van ondersteuning vanuit de Wmo sprake kan zijn. Van belang is dat de voorliggende voorziening aanwezig en bereikbaar is in de situatie van de inwoner. Dit zal in de individuele situatie nader onderzocht worden. 4.5.6Maatwerkvoorziening Als het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem, kan het college ondersteunen met een maatwerkvoorziening. Bij deze ondersteuning wordt de systematiek aangehouden die bestaat uit normen uitgedrukt in uren. Dit normensysteem is afgeleid van de systematiek zoals die tot 2007 ook onder de AWBZ werd gehanteerd (bijlage 1). De tijd die niet nodig is omdat de inwoner een deel van de werkzaamheden zelf kan uitvoeren of wanneer een deel wordt overgenomen door iemand uit het netwerk, wordt in mindering gebracht op de normtijd. Het college houdt rekening met de belangen van mantelzorgers. Zo kan in geval van dreigende overbelasting een maatwerkvoorziening aan de verzorgde worden toegekend. Deze voorziening kan dan niet, als het een persoonsgebonden budget betreft, door de mantelzorger worden ingevuld: het gaat immers om diens (dreigende) overbelasting. De ondersteuning betreffende verzorging van kinderen betreft alleen de niet uitstelbare taken zoals het helpen met aankleden. Het gaat om die momenten die niet kunnen worden overgenomen door een derde persoon.

Rechtspraak bij dit artikel