Een PGB is een geldbedrag bedoeld om zelf een maatwerkvoorziening mee aan te schaffen of te betalen. Het college bepaalt of een PGB wordt toegekend. Beoordeeld wordt of de inwoner in staat is een PGB te beheren. In de volgende gevallen wordt geen PGB verstrekt:
Als de inwoner zich niet gemotiveerd op het standpunt kan stellen waarom hij een PGB wenst.
Indien op grond van aanwijzingen, die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden, de overtuiging bestaat dat de inwoner niet goed kan omgaan met een PGB.
Bij een medische of sociale contra-indicatie, problematische schulden, gebleken misbruik of oneigenlijk gebruik.
Als te voorzien is dat er geen langdurige noodzaak bestaat voor een voorziening.
Wanneer de maatwerkvoorziening het collectief vervoer betreft.
De Wmo bepaalt dat een inwoner zich gemotiveerd op het standpunt moet stellen waarom hij een PGB wenst. De inwoner zal moeten onderbouwen waarom de maatwerkvoorziening in zijn ogen niet passend is. Het volstaat niet eenvoudig mede te delen dat hij de ondersteuning van gecontracteerde aanbieders niet wenst. Hij zal moeten aantonen dat hij zich voldoende heeft georiënteerd op de maatwerkvoorziening ‘in natura’ en moeten onderbouwen waarom hij deze niet passend acht. Mogelijk kan het college de maatwerkvoorziening aanpassen of alsnog de gewenste aanbieder contracteren.
Dit betekent dat wanneer een bepaalde zorgaanbieder gecontracteerd is, het niet mogelijk is om de zorg van deze aanbieder in de vorm van een PGB af te nemen.
Als er geen langdurige noodzaak is voor een bepaalde voorziening, kan geen PGB verstrekt worden omdat de kosten voor een PGB dan hoger zouden zijn dan voor verstrekking in natura. Een natura voorziening kan immers op elk gewenst moment stopgezet worden. Dit is bepaald in artikel 2.3.6 lid 5a van de Wmo.
Het collectief vervoer wordt niet in de vorm van een PGB verstrekt. Collectief vervoer vraagt een bepaalde omvang. Naarmate de omvang afneemt moeten de overheadkosten van het systeem over een kleinere doelgroep verdeeld worden en worden de kosten hoger.
5.4.1PGB Voorzieningen
Wat betreft de voorzieningen maakt het college per toekenning een berekening. Daarbij moet het bedrag voldoende zijn om de voorziening aan te schaffen en ondersteuning te bieden ten aanzien van het bestaande probleem. De kosten van de voorziening, als de voorziening in natura zou worden verstrekt, zijn het uitgangspunt bij het bepalen van de hoogte van het PGB. Daarbij wordt rekening gehouden met de korting die het college via de gecontracteerde leverancier krijgt. Deze korting wordt doorberekend in het PGB. Het is immers niet de bedoeling dat een PGB meer geld kost dan de verstrekking in natura. Ook met een PGB kan een voorziening met korting worden aangeschaft. In de situatie dat een voorziening in natura wordt verstrekt, wordt niet altijd een nieuwe voorziening verstrekt. Men hoeft dan ook met het PGB niet persé een nieuwe voorziening aan te schaffen. De keuze voor een bepaalde leverancier is over het algemeen een wens en geen noodzaak. Als men kiest voor een leverancier die geen korting geeft op de aankoop van de voorziening is dat de eigen keuze en verantwoordelijkheid van de inwoner. De meerkosten van deze consequentie hoeven daarom ook niet door het college gedragen te worden.
Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het PGB dient te worden aangeschaft en meer precies: aan welke vereisten de aan te schaffen voorziening dient te voldoen, wordt een zo nauwkeurig mogelijk omschreven programma van eisen bij de beschikking gevoegd. Wordt dan toch een voorziening aangeschaft die niet aan dat programma van eisen voldoet dan wordt beoordeeld in hoeverre de aangeschafte voorziening het probleem van de inwoner voldoende oplost.
Uitbetaling van het PGB voor een voorziening vindt plaats na overlegging van de factuur.
In principe vindt uitbetaling plaats aan de inwoner. Als de inwoner aangeeft dat hij het bedrag niet kan voorschieten kan het bedrag voor de aanschaf ook direct aan de leverancier worden overgemaakt. Het bedrag voor onderhoud en reparatie wordt altijd aan de inwoner zelf overgemaakt. De uitbetaling betreft een bruto bedrag; de eigen bijdrage wordt hierover nog berekend en opgelegd door het CAK.
5.4.2PGB maatwerkvoorziening Begeleiding
Indien de inwoner de maatwerkvoorziening Begeleiding in de vorm van een PGB wenst te ontvangen is hij verplicht een ondersteunings- en budgetplan te overleggen. Op grond van dit plan stelt de consulent vast of de inwoner in aanmerking komt voor een PGB. Uit het ondersteuningsplan blijkt hoe er aan het bereiken van de gestelde resultaten gewerkt wordt. Het plan moet inzicht geven wie de ondersteuning gaat leveren en of deze persoon beschikt over de benodigde kwaliteit en kwalificaties. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt de gemeente mee of de diensten in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het PGB wordt verstrekt.
Naast het ondersteuningsplan dient er ook een budgetplan overlegd te worden. Hierin maakt de inwoner inzichtelijk waar hij zijn ondersteuning zal inkopen, op welke manier deze ondersteuning bijdraagt aan zijn participatie en zelfredzaamheid en hoe de veiligheid, doeltreffendheid en cliëntgerichtheid van de ondersteuning is gewaarborgd. Na ‘akkoord’ hierop wordt een beschikking inclusief een PGB afgegeven op basis van het ondersteunings- en budgetplan.
In het ondersteuningsplan spreken inwoner/budgethouder en de gemeente af op welke termijn ze de behaalde resultaten met het PGB en de daaraan verbonden voorwaarden evalueren, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet. Op basis van de resultaten van de evaluatie kan het ondersteuningsplan worden bijgesteld. Ook kan een evaluatie ervoor zorgen dat de indicatie wordt gewijzigd.
Uitbetaling van het PGB voor ondersteuning vindt plaats aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De inwoner kan door middel van het zogenaamde trekkingsrecht declaraties indienen. De SVB zorgt vervolgens voor de betaling van de zorgverlener.
Hoofdstuk 5.
Artikel 5.4