Om kenbaar te maken op welke wijze de burgemeester uitvoering geeft aan de wettelijke bevoegdheid die hem is toegekend, legt hij de onderstaande uitgangspunten vast. Deze uitgangspunten gelden in beginsel voor alle panden (dus zowel voor woningen, lokalen en niet bewoonde woningen en/of daarbij behorende erven). Daarnaast zijn er in hoofdstuk 3 en 4 aparte bepalingen voor woningen en lokalen/niet-bewoonde woningen opgenomen. In Bijlage 1 is het wettelijk kader opgenomen.
2.1Begripsbepalingen
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
a. harddrugs:
alle middelen vermeld op lijst I behorend bij de Opiumwet;
b.softdrugs:
alle middelen vermeld op lijst II behorend bij de Opiumwet;
c.handel in drugs:
het verkopen, afleveren of verstrekken van harddrugs of softdrugs, dan wel het daartoe aanwezig zijn van een handelshoeveelheid hard- of softdrugs in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf;
d. handelshoeveelheid:
een hoeveelheid drugs die de criteria, zoals die zijn vastgelegd in de ‘Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie’ overstijgt, alsmede een ‘geringe hoeveelheid voor eigen gebruik’ waarbij sprake is van een dealerindicatie;
e.lokaal:
een voor het publiek toegankelijk pand met bijbehorend erf, zoals een winkel of horecabedrijf, dan wel een niet voor publiek toegankelijk pand met bijbehorend erf, zoals een loods, magazijn of andere bedrijfsruimte. Ook kunnen bijvoorbeeld een hotelkamer, andere recreatieverblijven en een kantoor onder het begrip lokaal vallen, voor zover zij geen ‘woning’ zijn;
f.coffeeshop:
een horecabedrijf, in bezit van een exploitatievergunning van de burgemeester om alcoholvrije dranken te mogen verkopen waar verkoop (en gebruik) van softdrugs gedoogd wordt op grond van een daartoe door de burgemeester verleende gedoogverklaring;
g.woning (bewoond):
een voor bewoning gebruikte ruimte. Een woning is te karakteriseren als een van de buitenwereld afgesloten plaats waar iemand - eventueel in een gemeenschappelijke huishouding met andere personen - zijn privaat huiselijk leven leidt of pleegt te leiden. Of een ruimte een woning is, wordt niet alleen bepaald door uiterlijke kenmerken, zoals de bouw en de aanwezigheid van een bed en andere huisraad, maar ook door de daaraan werkelijk gegeven bestemming. Of ergens gewoond wordt kan onder meer blijken uit de inschrijving in de Basisregistratie personen (BRP), de inrichting van de ruimte/het pand en het feitelijke gebruik dat van de ruimte wordt gemaakt.6Kamerstukken II, 1995/96, 24 699, nr. 3, blz. 5 en 6.
2.2 Verkoop, aflevering, verstrekking dan wel daartoe aanwezig zijn
Dit Damoclesbeleid heeft in de eerste plaats betrekking op de bevoegdheid van de burgemeester om over te gaan tot het sluiten van woningen of lokalen met bijbehorende erven, indien daarin of daarop een middel als bedoeld in lijst I of II behorende bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
Handelshoeveelheid
Artikel 13b van de Opiumwet is naar zijn tekst niet van toepassing bij de enkele aanwezigheid van drugs in een pand. Gezien de woorden "daartoe aanwezig" moeten de drugs met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt wordt volgens de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State7ABRvS 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738. aanvaard dat bij de aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs8Dit geldt v.w.b. harddrugs ook bij meer dan 2 pillen of bij meer dan 5 ml drugs in vloeistofvorm. of bij meer dan 5 gram softdrugs9Dit geldt v.w.b. softdrugs ook bij meer dan 5 hennepplanten. – de in de ‘Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie’ gehanteerde criteria voor eigen gebruik – de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) geacht wordt bestemd te zijn voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Een dergelijke hoeveelheid drugs wordt aangemerkt als een ‘handelshoeveelheid’. De burgemeester sluit vanwege de rechtszekerheid en hanteerbaarheid aan bij de criteria uit de ‘Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie’.10Ook als de in de Aanwijzing genoemde hoeveelheden wijzigen, sluit de burgemeester aan bij deze gewijzigde hoeveelheden. Het ligt op de weg van de betrokkene(n) om aan te tonen dat er géén sprake is van handel.
2.3Voorbereidingshandelingen
Deze beleidsregel heeft tevens betrekking op de bevoegdheid van de burgemeester om over te gaan tot het sluiten van woningen of lokalen met bijbehorende erven, indien daarin of daarop een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a van de Opiumwet voorhanden is (oftewel er sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen met betrekking tot handel in en/of productie van drugs). De Opiumwet bevat geen nadere invulling van de kwalificatie van voorbereidingshandelingen, maar het moet gaan om voorwerpen of stoffen die het ernstige vermoeden rechtvaardigen dat deze bestemd zijn voor o.a. het bereiden, bewerken of vervaardigen van harddrugs, respectievelijk voor grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. Dit zal moeten blijken uit o.a. de aard en hoeveelheid van de aangetroffen voorwerpen of stoffen, de onderlinge combinatie en/of andere gebleken feiten en omstandigheden (zoals resultaten van tapgesprekken of observaties).
Onvoldoende om als voorbereidingshandeling te kwalificeren, is het aantreffen van (uitsluitend) vervoermiddelen, gelden of andere betaalmiddelen. De beoordeling of sprake is van voorbereidingshandelingen vraagt een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld.11Kamerstukken II, 2016–2017, 34 763, nr. 3, blz. 4. De rechthebbende op de woning of het lokaal zal in voorkomend geval de conclusies die ontleend worden uit onder andere aard en onderlinge combinatie van de aangetroffen voorwerpen moeten ontkrachten.
2.4Te treffen herstelmaatregel
Artikel 13b van de Opiumwet geeft de burgemeester de bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. In deze paragraaf wordt toegelicht welke uitgangspunten de burgemeester van Harderwijk bij deze herstelmaatregel hanteert.
Bestuursdwang (geen dwangsom)
Volgens artikel 13b Opiumwet heeft de burgemeester bij een overtreding van artikel 13b van de Opiumwet de bevoegdheid om handhavend op te treden door middel van bestuursdwang. De burgemeester kan in plaats van een last onder bestuursdwang een last onder dwangsom opleggen. Uitgangspunt van deze beleidsregel is dat er bij de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet geen last onder dwangsom wordt opgelegd, maar een last onder bestuursdwang. Het financiële gewin in de drugshandel is dusdanig groot dat de financiële prikkel die uit moet gaan van een dwangsom niet het beoogde effect zal hebben. Hiermee zal niet worden bereikt dat een overtreding ophoudt of niet meer wordt herhaald. Uitgangspunt is dus dat bij een overtreding van artikel 13b Opiumwet de burgemeester een last onder bestuursdwang zal opleggen.
Sluiting van het pand (en bijbehorende erven)
Een ander uitgangspunt in deze beleidsregel is dat de last onder bestuursdwang die is gebaseerd op artikel 13b van de Opiumwet strekt tot de sluiting van de woning of het lokaal en/of de daarbij bijbehorende erven.
2.5Procedureverloop bij sluiting van het pand (en bijbehorende erven)
In deze paragraaf staan de procedurele uitgangspunten beschreven die de burgemeester van Harderwijk in acht neemt bij het toepassen van bestuursdwang op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
Bekendmaking
Als eerste procedurele uitgangspunt geldt dat het besluit tot het opleggen van de last onder bestuursdwang bekend wordt gemaakt aan de overtreder en aan de rechthebbenden op (het gebruik van) het pand en/of het bijbehorende erf.
Hierbij moet worden gerealiseerd dat volgens de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State de eigenaar van een pand in principe als overtreder van artikel 13b van de Opiumwet kan worden aangemerkt, indien hij wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat het pand als – kort gezegd – drugspand werd gebruikt. Van de eigenaar van een pand mag namelijk worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van dat pand wordt gemaakt.12ABRvS 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2770.
Gelegenheid tot het geven van een zienswijze
Volgens dit Damoclesbeleid geldt als volgend procedureel uitgangspunt dat – behoudens spoedeisende gevallen (zie hierna) – de belanghebbende(n) in de gelegenheid worden gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen, voordat het definitieve besluit tot sluiting wordt genomen.
Er zal daarom eerst een voornemen tot sluiting worden bekendgemaakt, waarin de aangeschreven belanghebbende(n) een korte termijn wordt geboden voor het indienen van een (bij voorkeur) schriftelijke zienswijze. Dit kan eventueel ook telefonisch (mondeling). Na afloop van de zienswijzeperiode neemt de burgemeester een definitief besluit.
Spoedeisende situaties
In spoedeisende situaties kan de burgemeester op grond van artikel 4:11 en 5:31 van de Awb spoedeisende bestuursdwang toepassen. Het pand wordt dan onmiddellijk gesloten. De burgemeester biedt dan niet de mogelijkheid om eerst een zienswijze in te dienen. Van een spoedeisende situatie is in ieder geval sprake bij acuut gevaar voor de veiligheid of gezondheid van personen of voor de openbare orde, bijvoorbeeld door brandgevaar of doordat giftige stoffen of gassen (kunnen) vrijkomen of bij zich direct aandienende risico’s door of vanwege het criminele drugscircuit.
Belangenafweging
Als procedureel uitgangspunt geldt dat de burgemeester bij het nemen van zijn definitieve besluit (o.a. op basis van de zienswijze) alle relevante omstandigheden van het geval zal betrekken in zijn beoordeling. Hij zal bezien of de omstandigheden op zichzelf dan wel samen met andere omstandigheden moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb, die maken dat handelen overeenkomstig dit Damoclesbeleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, waardoor van het beleid zou moeten worden afgeweken.13ABRvS 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840.
Begunstigingstermijn/zelf voldoen aan last
In het definitieve besluit tot toepassing van bestuursdwang staat een (korte) begunstigingstermijn. Binnen die termijn wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zelf uitvoering te geven aan de gelaste sluiting van het pand (en/of bijbehorende erven). De belanghebbende krijgt de gelegenheid het pand af te sluiten en gesloten te houden en de sleutels van alle toegangen van het pand en/of het bijbehorende erf in te leveren bij de gemeente. Het feitelijk sluiten gebeurt in de aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de gemeente die daartoe door de burgemeester is aangewezen. De sloten kunnen eventueel worden vervangen. Deuren, ramen en andere toegangen worden verzegeld. De sleutels blijven gedurende de sluiting in het bezit van de gemeente.
De begunstigingstermijn is er tevens voor bedoeld de belanghebbende de gelegenheid te geven om vóór de sluiting van het pand en/of het bijbehorende erf de maatregelen te treffen die nodig zijn in verband met de sluitingsperiode, zoals het verwijderen van persoonlijke spullen of bederfelijke waren, het afsluiten van gas, water en elektra, etc.
Effectueren bestuursdwang
Als de begunstigingstermijn is verstreken en de gelaste sluiting niet of niet tijdig is uitgevoerd, dan zal de burgemeester opdracht geven tot het door feitelijk handelen geheel of gedeeltelijk sluiten van het pand en/of het bijbehorende erf. In dat geval zal het pand worden gesloten, eventueel door de vervanging van de sloten. Daarnaast worden de deuren en ramen en andere doorgangen die toegang (kunnen) verschaffen tot het pand en/of het bijbehorende erf verzegeld.
Fysiek dichtmaken
Als moet worden aangenomen dat de verzegeling niet voldoende is om de toegang tot het pand en/of het bijbehorende erf gedurende de sluitingsperiode te garanderen, behoort het fysiek dichtmaken (bijvoorbeeld door dichttimmeren) van het pand en/of het bijbehorende erf tot de mogelijkheden.
Kennisgeving/kenbaarheid sluiting
Als volgend uitgangspunt geldt dat zowel als de belanghebbende binnen de begunstigingstermijn zelf de sluiting effectueert, als wanneer dit gebeurt door de burgemeester, de sluiting kenbaar wordt gemaakt door het aanbrengen van borden/stickers aan of binnen het pand of aan de toegang tot het bijbehorende erf. Op de borden/stickers staat dat het pand en/of bijbehorende erf is gesloten op last van de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De reden van deze openbare kennisgeving van de sluiting is dat publiekelijk bekend wordt gemaakt dat in het pand en/of het bijbehorende erf geen met de Opiumwet strijdige activiteiten meer plaatsvinden en dat actief wordt opgetreden tegen overtredingen van de Opiumwet. Hiermee beoogt de burgemeester van Harderwijk in het bijzonder te voorkomen dat in het pand en/of het bijbehorende erf of in de omgeving daarvan opnieuw met de Opiumwet strijdige activiteiten worden ontplooid.14ABRvS 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2906.
Betreden gesloten verklaard pand strafbaar
Het is op grond van artikel 2:41 lid 5 van de Algemene plaatselijke verordening Harderwijk (APV) verboden een gebouw, inrichting of ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen. Daarnaast is het verbreken van een zegel op grond van artikel 199 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar.
Een op grond van artikel 13b van de Opiumwet gesloten pand en/of het bijbehorende erf mag alleen worden betreden als de burgemeester daarvoor toestemming heeft gegeven (artikel 2:41 lid 6 APV). In de regel zal de burgemeester van Harderwijk slechts toestemming geven bij een dringende of zwaarwichtige reden om het gesloten pand en/of het bijbehorende erf tussentijds te betreden. Daarom zal de belanghebbende eerst schriftelijk en gemotiveerd moeten verzoeken om toestemming. Uit het verzoek moet blijken voor wie, welk doel en welke duur betreding van het gesloten pand en/of het bijbehorende erf nodig is. De burgemeester kan voorwaarden verbinden aan de toestemming.
Registratie van sluitingen en waarschuwing in registers
De burgemeester is op grond van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen (WKBP) verplicht om binnen 4 dagen na bekendmaking van het besluit, in het beperkingenregister in ieder geval aan te tekenen dat een pand en/of bijbehorende erf is gesloten. Dit geldt niet voor een waarschuwing, terwijl dit wel wenselijk is. De waarschuwing is immers aan het pand en niet aan de overtreder gebonden. Een eventuele opvolgende eigenaar/huurder/gebruiker zou daarom kunnen worden geconfronteerd met de gevolgen van een eerder afgegeven waarschuwing. Om te voorkomen dat belanghebbenden voor verrassingen komen te staan, wordt ook de waarschuwing geregistreerd. Indien de sluiting is opgeheven wordt dit ook in het WKPB-register geregistreerd.
Kostenverhaal
Volgens artikel 5:25 van de Awb worden de kosten voor het toepassen van de bestuursdwang (hoofdelijk) op de overtreder(s) verhaald. De overtreder is op grond van artikel 5:1 lid 2 van de Awb degene die de overtreding van artikel 13b Opiumwet pleegt of medepleegt. Zoals in deze paragraaf toegelicht onder het kopje ‘Bekendmaking’ wordt de eigenaar van een pand en/of bijbehorend erf in principe als overtreder van artikel 13b van de Opiumwet aangemerkt. Dit is alleen anders indien in voldoende mate is komen vast te staan dat de eigenaar alles heeft gedaan wat van hem uit hoofde van zijn verantwoordelijkheid in redelijkheid verwacht mag worden om de overtreding te voorkomen en hem daarbij geen enkel verwijt valt te maken. In dat geval komen de kosten van bestuursdwang niet of niet geheel voor zijn rekening (artikel 5:25 lid 1 Awb).
Rechtsbescherming
Een besluit tot toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 13b van de Opiumwet is een besluit in de zin van de Awb. Dit betekent dat het mogelijk is om tegen het besluit bezwaar en (hoger) beroep in te stellen. Een bezwaar of (hoger) beroep heeft geen schorsende werking. Dat betekent dat als er bezwaar of (hoger) beroep is ingesteld, het besluit kan worden uitgevoerd. Als belanghebbenden dit willen voorkomen, dan zullen zij daartoe een verzoek tot schorsing moeten indienen bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland. Daarvoor is vereist dat belanghebbenden een spoedeisend belang hebben en dat zij bezwaar of (hoger) beroep hebben ingesteld. Het enkel indienen van het verzoekschrift heeft ook geen schorsende werking. Pas als de voorzieningenrechter het verzoek tot schorsing honoreert zal de burgemeester moeten wachten met uitvoering van het besluit tot toepassing van bestuursdwang, voor de werkingsduur van deze schorsing.
Als de burgemeester eerst een waarschuwingsbrief stuurt, is er geen sprake van een besluit in de zin van de Awb. Hiertegen staat geen bezwaar en beroep open.15Volgens de conclusie van Widdershoven, ECLI:NL:RVS:2018:249, is een waarschuwing die twee jaar lang geldt, geen besluit in de zin van de Awb.
Verzoek opheffing sluiting
De sluitingsduur, zoals in de volgende hoofdstukken van dit Damoclesbeleid bepaald, is afgestemd op de periode die noodzakelijk wordt geacht om de (sub)doelen van dit Damoclesbeleid te bereiken. Slechts indien bijzondere omstandigheden aannemelijk maken dat in een concreet geval met het voortduren van de sluiting geen redelijk belang meer is gediend, is de burgemeester bevoegd om de sluiting tussentijds op te heffen. Een belanghebbende zal eerst een gemotiveerd verzoek moeten indienen. De burgemeester zal van de bevoegdheid tot het tussentijds opheffen terughoudend gebruik maken. Alleen als aannemelijk is dat er geen enkel redelijk doel meer met de sluiting is gediend, waarbij rekening wordt gehouden met de aard, ernst en duur van de overtreding van de Opiumwet en daarnaast met de uitgangspunten van dit Damoclesbeleid, kan de burgemeester besluiten om de sluiting tussentijds op te heffen.
Artikel 2.
Uitgangspunten Damoclesbeleid Harderwijk
Onderdeel van Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Harderwijk houdende regels omtrent drugs (Damoclesbeleid Harderwijk 2019)
Verwijzingen
- artikel 13b van de Opiumwet
- Artikel 13b van de Opiumwet
- artikel 13b van de Opiumwet
- artikel 13b van de Opiumwet
- artikel 10a
- artikel 3a
- artikel 13b van de Opiumwet
- artikel 5
- artikel 13b van de Opiumwet
- artikel 2
- artikel 5
- artikel 13b van de Opiumwet
- artikel 4
- artikel 13b van de Opiumwet
- artikel 199 van het Wetboek van Strafrecht
- artikel 13b van de Opiumwet
- artikel 11a van de Opiumwet
- Artikel 13b van de Opiumwet
- artikel 2
- artikel 4
- artikel 13b van de Opiumwet
- artikel 5