In 2011 is het autoparkeernormenbeleid uit 2008 geëvalueerd. Geconcludeerd is dat de belangrijkste problemen van vóór 2008 zijn verholpen en dat de hoeveelheid regels verminderd is. Uit de evaluatie komt daarnaast naar voren dat:
■ Het autobezit in de stad Utrecht stabiliseert en neemt sinds 2008 zelfs iets af. Het autobezit en autogebruik blijft in Leidsche Rijn en Vleuten/De Meern structureel hoger dan in de binnenstad (zie nevenstaand figuur), maar in gebieden als Overvecht, Kanaleneiland, Lunetten en Voordorp zijn de normen niet lager dan in Leidsche Rijn. De gebiedsindeling is daarom aangepast (zie paragraaf 4.1).
Het belang van een goede kwaliteit van de openbare ruimte maakt het wenselijk en verantwoord om in en rond het centrum de parkeernormen te verlagen. OV en fiets bieden immers een uitstekend alternatief voor het gebruik van de auto (verminderde behoefte) en betaald parkeren voorkomt dat eventuele nadelige gevolgen worden afgewenteld op de omgeving.
■ De parkeerbehoefte is geen statisch gegeven, maar is in beweging. De veranderingen van de normering ten opzichte van 2008 worden uitgewerkt in paragraaf 4.3.
■ Er is behoefte aan een duidelijke en eenduidige basis en aan een algemene lijn in de toepassing van parkeernormen, zodat verzoeken om af te kunnen wijken van de norm beperkt worden. Dit laat onverlet dat flexibiliteit en maatwerk mogelijk moeten blijven als een specifieke situatie hierom vraagt.
■ Bij kleine projecten tot 1.000 m2 bvo met sloop/nieuwbouw/functieverandering is het sinds 2008 toegestaan om ten aanzien van de parkeercapaciteit het rechtens verkregen niveau (de bestaande normatieve parkeerruimte) te laten meetellen voor de nieuwe situatie, ook als deze niet of maar ten dele op eigen terrein aanwezig is. Deze bijstelling heeft geen noemenswaardige problemen opgeleverd. Uit de jurisprudentie kan worden opgemaakt dat er geen harde bovengrens gesteld mag worden. Dit is bijgesteld (zie paragraaf 5.1).
■ Het hanteren van een minimum parkeernorm van 0 voor kleine projecten (drempelwaarde 1.000 m2 bvo) heeft positief uitgewerkt en is door het college ook toegepast bij grotere projecten. De drempelwaarde is vanuit eenduidigheid gelijk gesteld met de grens van de planologische kruimelregeling (1.500 m2 bvo). De bijbehorende verruiming van de maximumnorm is ongebruikt gebleven. In het licht van de Nota Stallen en Parkeren is deze verruiming geschrapt.
■ De recessie (in de bouw) vraagt ook om een kritischer blik op de parkeerinvesteringen. Meervoudig gebruik van parkeerruimte en meer collectieve parkeervoorzieningen kunnen de kosten verlagen. Daarom zijn de mogelijkheden hiertoe verruimd (zie paragraaf 5.2).
■ Vanuit jurisprudentie (4) blijkt dat ‘indicatieve normen’, die voor horeca en voor basisscholen, kinderdagverblijven en dergelijke zijn opgenomen, geen rechtsgeldigheid hebben. Deze functies hebben een eigen parkeernorm gekregen.
Hoofdstuk › Paragraaf 4
Artikel 4.2
Evaluatie autoparkeernormen 2008 en nieuwe inzichten
Onderdeel van Beleidsregels Parkeernormen Fiets en Auto 2019 (Bijlage I Nota Stallen en parkeren)