Naar hoofdinhoud
Het college kan een vergunning weigeren ‘indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast’. In dit hoofdstuk leggen we uit wat we daaronder verstaan. Deze weigeringsgrond sluit aan bij de beleidsregels en bepalingen in de APV die dienen ter bescherming van openbaar groen. Het college kan een inritvergunning in elk geval weigeren als: Op de locatie van de aan te leggen inrit een boom staat, waarvoor een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g. van de Wabo vereist is en deze omgevingsvergunning niet wordt verleend. De aan te leggen of aan te passen verharding binnen een boombeschermingszone ligt en de aanvrager met een boomeffectanalyse niet kan aantonen dat het aanleggen of veranderen van de inrit geen negatieve invloed heeft op de kwaliteit en/of het behoud van de boom. Openbaar groen zodanig aangetast wordt dat dit naar het oordeel van het college negatieve effecten heeft op overig aanwezig groen. De inrit niet zo kan worden aangelegd dat bij de aanleg of het gebruik schade aan bermen en groenstroken voorkomen kan worden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel