Bovengenoemde landelijke problemen en uitdagingen spelen in alle vier de gemeenten, maar de grootte en urgentie van iedere opgave verschilt per gemeente. In deze paragraaf komen aan de hand van drie thema’s de ontwikkelingen in de Leidse regio aan bod:
jeugdhulpgebruik
demografische ontwikkelingen in relatie tot jeugdhulp gebruik
cliëntervaring
Jongeren in jeugdhulp
Het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) heeft in 2018 een onderzoek uitgevoerd naar het zorglandschap in Holland Rijnland. In 2017 maakte in Nederland 11,2% van alle jeugdigen gebruik van een vorm van jeugdhulp. Voor de vier gemeenten in de Leidse regio ligt dit percentage op 13,3% van alle jeugdigen. 7 Leiden: 14,1%, Zoeterwoude: 13,8%, Oegstgeest: 12,6% en Leiderdorp: 12,5%.
Vooral op het onderdeel jeugdhulp zonder verblijf scoren de vier gemeenten hoog ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Het percentage jeugdhulp met verblijf, daarentegen, ligt aanzienlijk lager. Dit geldt eveneens voor jeugdbescherming en jeugdreclassering.
Van alle jongeren in jeugdhulp is het grootste percentage tussen de 4 en 12 jaar oud. 8 Leiderdorp: 54,5%, Zoeterwoude: 54,3%, Leiden: 48,1% en Oegstgeest: 47,1%. Dit komt overeen met het landelijke beeld. Veel problemen kunnen zich al op jonge leeftijd uiten in een hulp- of ondersteuningsbehoefte. In de Leidse regio ligt het herhaalde beroep op jeugdhulp gemiddeld op ongeveer 24%. Deze jongeren hebben dus in de vijf jaar voorafgaand aan de start van de hulp al jeugdhulp ontvangen. Landelijk ligt het gemiddelde op 25,5%.
Een hoog percentage jongeren krijgt een verwijzing naar specialistische hulp van de huisarts. In Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest en Zoeterwoude is respectievelijk 32%, 31%, 44% en 30% van de jeugdigen in de jeugdhulp via de huisarts daarin terechtgekomen. Met uitzondering van Oegstgeest liggen deze percentages onder het landelijk gemiddelde van 36%. Ook het aantal verwijzingen vanuit de gemeentelijke toegang ligt onder het landelijke gemiddelde, 22% ten opzichte van 27%. De gemeentelijke toegang en de huisarts zijn de grootste verwijzers in de Leidse regio 9 Naast de benoemde verwijzers kunnen de jeugdarts, medisch specialist en de gecertificeerde instelling doorverwijzen naar jeugdhulp. Daarnaast is het mogelijk dat jeugdhulp wordt ingezet via de kinderrechter, de officier van Justitie en de functionaris justitiële jeugdinrichting..
Demografische factoren en jeugdhulp
Het NJi heeft ook uitgezocht in hoeverre demografische ontwikkelingen en omgevingsfactoren het zorg- en hulpgebruik kunnen verklaren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het aantal eenoudergezinnen in een gemeente, het aantal kinderen met een migratieachtergrond, gezinnen die leven in armoede of met een minimuminkomen of het aantal gezinnen met scheidingsproblematiek. Wat hierbij opvalt is dat van de gebruikers van jeugdhulp in de Leidse regio het grootste deel uit hogere-inkomensgroepen komt.
Op basis van de demografische gegevens zou men dus verwachten dat de Leidse regio minder jeugdigen in jeugdhulp heeft. De gemeenten scoren immers juist gunstig op veel factoren waarvan bekend is dat ze samenhangen met jeugdhulp. Toch wordt hier meer gebruik gemaakt van jeugdhulp dan het gemiddelde in Nederland. Met andere woorden, demografische ontwikkelingen en omgevingsfactoren die normaal gesproken het jeugdhulpgebruik doen toenemen, verklaren onvoldoende waarom in de Leidse regio meer dan landelijk gemiddeld gebruik gemaakt wordt van jeugdhulp.
Jaarlijks worden de bedragen per gemeente berekend aan de hand van een objectief verdeelmodel. Op basis van allerlei indicatoren wordt de hoogte van het bedrag per gemeente bepaald. Het model poogt de werkelijke uitgaven zo goed mogelijk te benaderen. Voor de hele regio Holland Rijnland is de afwijking van het model ten opzichte van de werkelijkheid groot. Het financieel effect is daarom voor de Leidse regio negatief.
Cliëntervaring
Uit het cliëntervaringsonderzoek (CEO) blijkt dat cliënten over het algemeen tevreden zijn over de ingezette hulp en ondersteuning. Cliënten vinden het vooral belangrijk dat ze de juiste hulp ontvangen, dat de deskundigheid van professionals op orde is en dat ze weten wat de hulp uiteindelijk oplevert. Cliënten geven als verbeterpunt aan dat de professional op dit moment vooral focust op de individuele situatie van een kind of ouder en “minder op het gezin waar dat kind deel van uitmaakt, oftewel, de context waarin dat kind functioneert”.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.2