Naar hoofdinhoud
Op basis van de ontwikkelingen in de Leidse regio, de beschreven uitdagingen in het Koersdocument en de bijeenkomsten met maatschappelijke partners willen we de komende jaren de jeugdhulp en –ondersteuning verbeteren. In deze paragraaf beschrijven we concreter dan in het Koersdocument de verbeterpunten waarmee we aan de slag willen. Naast de eerdergenoemde onderzoeken en rapporten zijn hierbij ook de uitkomsten van het rapport van de Rekenkamercommissie Leiden & Leiderdorp Toegang tot de Jeugdhulp 2018 meegenomen. 10 Een volledig overzicht van gebruikte rapporten, documenten en evaluaties vindt u in hoofdstuk 6. Samenwerking De samenwerking tussen maatschappelijke partners, gemeenten en het voorliggende veld komt nog onvoldoende van de grond. Deze samenwerking tussen professionals die betrokken zijn bij een gezin is essentieel om jeugdigen en gezinnen de juiste integrale hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Ook om goed te verwijzen naar hulp en ondersteuning is samenwerking nodig. Zorgaanbieders geven aan dat ze bij een doorverwijzing vaak zelf nog moeten zorgen dat ze de (hulp)vraag goed helder krijgen. Een goede samenwerking tussen de verschillende verwijzers naar jeugdhulp kan de kwaliteit van de verwijzing verhogen. Samenwerking is geen doel op zich, maar een instrument om tot betere hulp en ondersteuning te komen. Niet bij iedere (enkelvoudige) vraag van een jeugdige of ouder is (verregaande) samenwerking nodig. Wanneer vragen complexer zijn of meerdere thema’s, professionals en organisaties betreft, is integrale ondersteuning door middel van samenwerking wel noodzakelijk. We onderscheiden vijf oorzaken waarom de samenwerking nog onvoldoende van de grond komt: De opdracht aan de gemeentelijke toegang en zorgaanbieders is niet voldoende concreet. Zo staat niet benoemd aan welke doelstellingen en resultaten de gemeentelijke toegang en de zorgaanbieders moeten bijdragen. Dit maakt het onmogelijk om met elkaar vast te stellen of we de juiste inhoudelijke beweging maken in de jeugdhulp. Daarnaast stimuleren de huidige opdrachten niet tot onderlinge samenwerking (bijvoorbeeld zorgaanbieders onderling) of tot een goede op- en afschaling. 11 Hierbij moet de kanttekening geplaatst worden dat de knelpunten en afhankelijkheden in de keten niet altijd te beïnvloeden zijn, denk aan wachtlijsten bij de Raad voor de Kinderbescherming die doorwerken naar Veilig Thuis, de toename van meldingen bij Veilig Thuis vanuit de politie, het aantal beschikbare woningen waardoor uitstroom uit instellingen en maatschappelijke opvang beter mogelijk wordt en in (v)echtscheidingssituaties de mogelijkheid om te de-escaleren. Gemeenten zijn onvoldoende in gesprek geweest met maatschappelijke partners om knelpunten aan te pakken en gezamenlijk te sturen op maatschappelijke resultaten. De huidige bekostigingssystematiek stimuleert jeugdhulpaanbieders onvoldoende om integrale arrangementen te leveren en onderling samen te werken. Het is wel mogelijk voor jeugdhulpaanbieders om samen te werken, maar dit wordt niet (financieel) gestimuleerd. Er bestaat onduidelijkheid over de rollen en verantwoordelijkheden van verschillende partijen en professionals. Het is bijvoorbeeld niet altijd duidelijk wat de verantwoordelijkheden zijn van het onderwijs in relatie tot gemeenten bij jeugdhulp. Ook is het de vraag wie van de professionals de regierol heeft bij het verlenen van hulp. Duidelijkheid over rollen en verantwoordelijkheden is een belangrijke voorwaarde voor goede samenwerking. Er wordt nog veel gewerkt binnen ‘schotten’. Denk bijvoorbeeld aan de regels, procedures en geldstromen in de verschillende beleidsterreinen van het sociaal domein, zoals onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen, of aan veiligheid, schuldhulpverlening, huisvesting, GGZ-problematiek en de Omgevingswet. Dit kan een goede samenwerking in de weg staan, omdat er niet gewerkt wordt vanuit een gemeenschappelijk kader. Niet alle schotten kunnen weggenomen worden door de gemeente. Sommige regels, procedures en geldstromen worden immers georganiseerd door het Rijk, zoals in het onderwijs. Ontwikkelingen in het jeugdhulpaanbod Sinds 2015 heeft het hulpaanbod aan jeugdigen en gezinnen zich volop ontwikkeld; veel jeugdhulp met verblijf is omgevormd tot andere vormen van zorg. Tegelijkertijd erkennen we dat kinderen soms gebaat blijven bij hulp buiten het eigen gezin. Op dit moment – zo laten professionals weten –zijn er nog onvoldoende alternatieve verblijfsvormen, zoals pleegzorg en gezinshuizen, om de vraag naar passende verblijfsplekken op te vullen. Daardoor moeten inwoners soms buiten de regio op zoek naar een verblijfplaats. Ook kan het leiden tot het (te lang) inzetten van (te) zware vormen van jeugdhulp waar dit feitelijk niet nodig is. Inhoudelijke uitdagingen Naast uitdagingen op het gebied van sturing, samenwerking en verwijzingen worden er specifieke inhoudelijke knelpunten naar voren geschoven door jeugdigen, ouders en professionals. Zo verloopt de overgang van 18- naar 18+ onvoldoende soepel. Deze overgang in leeftijd gaat gepaard met een overgang in wetten, regels en procedures, met als gevolg dat sommige jeugdigen niet (snel genoeg) de juiste hulp en ondersteuning ontvangen na hun 18e verjaardag. Een ander knelpunt is dat jeugdigen of ouders met een licht verstandelijke beperking (LVB) niet altijd de juiste hulp ontvangen op het juiste moment. Onder andere doordat deze beperking (te) laat gesignaleerd wordt. Professionals geven aan dat er op dit moment nog te weinig naar de situatie van het gehele gezin gekeken wordt. Jeugdigen en ouders verwijzen wat dit betreft ook naar het eerdergenoemde cliëntervaringsonderzoek. De focus van de hulp en ondersteuning ligt nog te veel alleen op de jeugdige, terwijl ook problemen in het gezin de oorzaak kunnen zijn van de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige. (Boven)regionale instellingen krijgen te maken met (steeds) meer administratieve lasten. Iedere jeugdhulpregio heeft, naast inhoudelijke afspraken over hulpverlening, eigen afspraken over het aanleveren van gegevens ter verantwoording, facturatie, de frequentie van overleg en eigen aanbestedingen. De gemeenten hebben hierin als opdrachtgever een verantwoordelijkheid. Tegelijkertijd ontstaat hier een spanningsveld rond het streven naar regionale eenduidigheid én tegelijkertijd recht willen doen aan de diverse behoeften van de Leidse regio. Eén ding is helder voor de Leidse regio: we streven ernaar de (administratieve) lasten zo laag mogelijk te houden. U leest in hoofdstuk 4, over de randvoorwaarden, hoe we de administratieve lasten zo laag mogelijk gaan houden.

Rechtspraak bij dit artikel