1.
In afwijking van het in artikel 2.3.3 bepaalde wordt de vergunning altijd verleend, indien de woonruimte door de eigenaar overeenkomstig de in de leden 2 en 3 weergegeven procedure gedurende drie maanden vruchteloos is aangeboden aan de woningzoekenden die ingevolge het eerste lid van artikel 2.3.3 voor die woonruimte in aanmerking komen.
2.
De eigenaar moet de woonruimte in geval van een koopwoning in de in het vorige lid genoemde termijn tenminste 2 maal door middel van een advertentie, geplaatst in dag- en weekbladen die in de regio verschijnen, te koop hebben aangeboden.
Deze advertentie moet in ieder geval bevatten:
a.
het adres van de woonruimte;
b.
de overeenkomstig artikel 26, lid 2, van de wet bepaalde koopprijs van de woonruimte;
De tekst van artikel 26, lid 2, van de wet luidt:
Het eerste lid is slechts van toepassing:
ingeval de woonruimte te huur wordt aangeboden en de Huurprijzenwet woonruimte op die woonruimte van toepassing is: indien de gevraagde huurprijs niet hoger is dan de voor de betrokken woonruimte ingevolge dis wet geldende maximaal redelijke huurprijs;
ingeval de woonruimte te huur wordt aangeboden en de Huurprijzenwet woonruimte niet op die woonruimte van toepassing is: indien de gevraagde huurprijs niet hoger is dan redelijk is, gelet op de huurprijs die in het economisch verkeer voor vergelijkbare woonruimte wordt overeengekomen.
ingeval de woonruimte te koop wordt aangeboden: indien de koopprijs niet hoger is dan redelijk is gelet op de waarde van de woonruimte in het economisch verkeer.
c.
de mededeling dat degenen die voldoen aan het bepaalde in artikel 2.3.3, lid 1, de voorkeur genieten.
De in het vorige lid genoemde termijn begint te lopen op de datum van plaatsing van de eerste advertentie die voldoet aan het hier bepaalde.
HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 2.3
Artikel 2.3.4
Vruchteloze aanbieding
Onderdeel van Huisvestingsverordening 1994