(artikel 2.2 Wmo-verordening 2015)
Vormen van onderzoek
Goed onderzoek is de basis voor het vaststellen van de ondersteuningsvraag. Hierbij is maatwerk het uitgangspunt en het is aan de Amsterdammer om te bepalen welke vorm van contact het meest recht doet aan zijn vraag. Dat kan zijn aan het loket of bij een aanbieder middels een huisbezoek en telefonisch.
Wanneer een Amsterdammer zich voor het eerst met een vraag bij de gemeente meldt, ligt het voor de hand dat er één of meerdere gesprekken worden gevoerd en kan een huisbezoek de aangewezen vorm zijn. Bij complexere ondersteuningsvragen zal face-to-face contact het uitgangspunt zijn. Ook indien degene die de melding telefonisch in ontvangst neemt de indruk krijgt dat er een complexere ondersteuningsvraag of meervoudige problematiek is, zal verder onderzoek, eventueel ook aan huis, plaatsvinden zo nodig vanuit meerdere disciplines.
Bij een Amsterdammer met een eenvoudige ondersteuningsvraag kan dit onderzoek beknopt zijn en kan het gesprek ook telefonisch plaatsvinden. Hierbij valt te denken aan een verzoek om toegang tot beschermd vervoer en aan een verzoek om verlenging van een eerder toegekende voorziening. Indien informatie over de Amsterdammer en zijn medische en/of sociale situatie al voor handen is en leidt tot adequate ondersteuning, is het onnodig om hem te belasten met een uitgebreid onderzoek. In overleg met de Amsterdammer kan hier dan van af worden gezien.
Als er een persoonlijk plan is aangeleverd door de Amsterdammer zal dit worden betrokken bij het onderzoek. Het hier beschreven onderzoek richt zich op ondersteuningsvragen die onder de Wmo-verordening 2015 vallen. Uiteraard kan een Amsterdammer ook andere ondersteuningsvragen hebben. Deze vragen worden tijdens het gesprek wel besproken en zo mogelijk opgelost, maar vallen niet onder de reikwijdte van deze Nadere regels en zijn daarom niet opgenomen in de hieronder beschreven stappen.
Het onderzoek wordt binnen zes weken uitgevoerd. Mocht omwille van de zorgvuldigheid, bijvoorbeeld omdat informatie bij derden moet worden opgevraagd of omdat er sprake is van een complexe hulpvraag, de termijn van zes weken niet gehaald worden dan wordt hierover gecommuniceerd met de cliënt en kan deze termijn worden verlengd.
Vraagverheldering
Allereerst richt het onderzoek zich op het verduidelijken van wat de Amsterdammer graag wil en waarom, wat goed gaat en wat niet meer lukt. Middels vraagverheldering moet duidelijk worden wat de onderliggende reden is dat de Amsterdammer of zijn mantelzorger de vraag stelt. Zo nodig wordt de Amsterdammer ondersteund bij het duidelijk formuleren van zijn hulpvraag. De vraagverheldering bestaat uit één of meerdere gesprekken.
Door het geven van adequate informatie en een passend advies kan in sommige situaties het probleem al eenvoudig worden opgelost. Het resultaat hiervan is een antwoord op zijn hulpvraag waardoor de Amsterdammer geholpen is en verder kan zonder de inzet van een Wmo voorziening.
Indien de hulpvraag niet door middel van informatie en advies kan worden opgelost wordt het onderzoek naar een passende oplossing voortgezet.
Reikwijdte Wmo
In het onderzoek wordt vervolgens vastgesteld of de vraag onder de reikwijdte van de Wmo valt:
is er behoefte aan ondersteuning ten behoeve van de zelfredzaamheid;
is er behoefte aan ondersteuning ten behoeve van participatie;
is er behoefte aan beschermd wonen of opvang;
is er behoefte aan ondersteuning van de mantelzorger.
Doel ondersteuning vaststellen
Als duidelijk is wat de vraag is en dat deze onder de reikwijdte van de Wmo valt, is het van belang om samen met de Amsterdammer of zijn mantelzorger vast te stellen wat het te behalen resultaat is. Dus: wanneer vindt iemand dat zijn ondersteuningsvraag voldoende is opgelost en is dat een realistisch doel.
Oplossingsmogelijkheden
Als er overeenstemming is over het te behalen resultaat wordt gekeken naar hoe het resultaat bereikt kan worden. Daarbij wordt eerst gekeken wat iemand zelf kan oplossen, een maatwerkvoorziening wordt alleen ingezet als daar een noodzaak voor is. De hiërarchie in het afwegingskader is in onderstaande opsomming aangegeven en wordt daaronder toegelicht.
Eigen kracht
Sociaal netwerk
Andere wetgeving
Basisvoorziening
Algemene voorziening
Maatwerkvoorziening
Financiële tegemoetkoming meerkosten
1. Eigen kracht
De Wmo is bedoeld om de eigen kracht te versterken en alle Amsterdammers, met of zonder beperking, te stimuleren om hun talenten en mogelijkheden te zien en in te zetten om ondersteuningsvragen op te lossen. Door hier in het vraagverhelderingsgesprek ruimte en aandacht aan te geven, door bijvoorbeeld oplossingsmogelijkheden aan te reiken of samen te zoeken naar een geschikte oplossing, kunnen mensen hun eigen kracht benutten en vergroten.
Eigen kracht kan ook betekenen zelf betalen. Soms kan een ondersteuningsvraag worden opgelost met het aanschaffen van een algemeen gebruikelijke voorziening. Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die normaal in de handel verkrijgbaar is, ook door mensen zonder beperkingen wordt aangeschaft en gebruikt of die niet aanzienlijk duurder is dan voorzieningen met vergelijkbare functies. Dit betekent dat iedereen deze voorziening zelf moet bekostigen. Het verstrekken van dergelijke voorzieningen op grond van de Wmo is dan niet redelijk en strookt niet met de doelstelling van de wet. Wat algemeen gebruikelijk is wordt beïnvloed door maatschappelijke ontwikkelingen. Deze zijn aan verandering onderhevig. In de tijd kan een voorziening die eerst niet als algemeen gebruikelijk werd gezien wel algemeen gebruikelijk worden. Het aanbod en de prijzen van voorzieningen in gewone winkels speelt hierbij een rol, maar ook jurisprudentie (uitspraken van rechters).
Voorbeelden van een algemeen gebruikelijke voorziening zijn een tandem, openbaar vervoer, thermostatische kranen en het lid zijn van een vereniging of club.
Het college moet wel onderzoeken of er sprake is van een situatie waarbij de algemeen gebruikelijke voorziening, gelet op de specifieke behoeften en persoonskenmerken van de aanvrager, toch verstrekt moet worden. Als dit het geval blijkt te zijn, wordt de voorziening in beginsel als financiële tegemoetkoming verstrekt.
Indien een algemeen gebruikelijke voorziening met aanpassingen een adequate oplossing biedt voor een probleem komen, in overeenstemming met een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, alleen de aanpassingen in aanmerking voor vergoeding.
2. Sociaal netwerk
Het sociale netwerk verwijst naar de sociale context waarin de Amsterdammer leeft. Het beslaat het gezin, familie, vrienden, de buurt waarin iemand woont, zijn werkomgeving en de sociale groepen waartoe de Amsterdammer behoort.
Het netwerk is vaak bereid om (een deel van) de ondersteuning te bieden of voor de Amsterdammer te organiseren. Deze ondersteuning geboden vanuit het sociale netwerk wordt in sommige gevallen mantelzorg genoemd. Mantelzorg is ondersteuning die mensen langdurig en onbetaald verlenen aan een persoon met beperkingen uit hun directe omgeving. De ondersteuning wordt geboden vanuit de persoonlijke band die mantelzorgers hebben met degene die zij ondersteunen. Om overbelasting te voorkomen wordt vanuit de gemeente ondersteuning geboden aan mantelzorgers. Datgene wat nodig is om de mantelzorger (tijdelijk) te ontlasten in een situatie van (dreigende) overbelasting, kan onderdeel uitmaken van een maatwerkvoorziening. Van belang hierbij is de balans tussen draagkracht en draaglast.
Binnen het sociaal netwerk kan ook gebruikelijke hulp aan de orde zijn. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Gebruikelijke hulp is niet vrijblijvend. Het gaat hierbij om de normale dagelijkse zorg, zoals taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, administratie, schoonmaken, bezoek aan familie, instanties of een arts. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze, één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar zijn ook inwonende ouders. Of er sprake is van inwoning wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld.
In beginsel is alle hulp door ouders, door partners onderling, door inwonende kinderen en/of andere huisgenoten gebruikelijk als er sprake is van een kortdurende situatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid, dat ondersteuning daarna niet langer is aangewezen. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden.
Als het gaat om een chronische situatie is de hulp van een volwassene gebruikelijk wanneer die hulp door iemand uit de leefeenheid wordt geboden bij maatschappelijke participatie en het bezoeken van familie, vrienden, huisarts enzovoorts en het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie.
Het leren omgaan van derden met de Amsterdammer met een beperking, chronisch psychische of psychiatrische aandoening is gebruikelijke hulp. Van ouders wordt bijvoorbeeld verwacht dat ze professionals instrueren hoe om te gaan met de beperkingen van hun kind.
In alle gevallen zal zorgvuldig getoetst worden of er sprake is van niet-gebruikelijke hulp.
Er zijn uitzonderingen mogelijk op het uitgangspunt van gebruikelijke hulp, al dan niet tijdelijk. Te denken valt aan situaties waarin:
de huisgenoot lang en/of frequent afwezig moet zijn bijvoorbeeld in verband met werk en het zorg voor kinderen betreft;
de huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en niet in staat kan worden geacht tot het verrichten of aanleren van taken behorende tot gebruikelijke hulp;
de huisgenoot overbelast is of dreigt te raken;
de hulpvrager een korte levensverwachting heeft.
Aanvullende informatie over gebruikelijke hulp is te vinden in hoofdstuk 4.
3. Andere wetgeving
Wetten als de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Jeugdwet kunnen voorliggend zijn op ondersteuning vanuit de Wmo. De verantwoordelijkheid van de gemeente houdt op als iemand een blijvende behoefte aan permanent toezicht heeft of 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig is. De zorg valt dan onder de Wlz, ook als de Amsterdammer zelfstandig woont en ambulante ondersteuning, dagbesteding, logeeropvang of hulp bij het huishouden nodig heeft.
Wanneer de blijvende behoefte aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in nabijheid voortkomt uit psychiatrische problematiek dan vallen ambulante ondersteuning, dagbesteding, logeeropvang of hulp bij het huishouden wel onder de Wmo. Dit geldt ook voor woon- en vervoersvoorzieningen voor Wlz-cliënten die hun eigen woonlasten betalen (Er zijn in 2019 bestuurlijke afspraken gemaakt tussen de VNG en het ministerie van VWS over de verstrekking van hulpmiddelen en roerende voorzieningen aan cliënten in een Wlz-instelling. Vanaf 2020 geldt een overgangsregeling waarbij voor cliënten die een roerende woonvoorziening of een individuele vervoersvoorziening uit de Wmo ontvangen geldt, dat pas bij vervanging van het Wmo-middel verstrekking vanuit de Wlz plaatsvindt. Tot de vervanging door de Wlz-instelling heeft
Voor de doelgroep beschermd wonen geldt dat binnen de Wmo voorzien kan worden in permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in nabijheid. Voorts kan het zijn dat medicijnen of een behandeling de behoefte aan ondersteuning of een deel daarvan wegnemen. Deze worden vergoed vanuit de Zvw en zijn voorliggend. Voor ondersteuningsvragen van Amsterdammers jonger dan 18 jaar op het gebied van zelfredzaamheid en participatie is de Jeugdwet voorliggend, met uitzondering van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen.
4. Voorzieningen sociale basis
De sociale basis is het aanbod van activiteiten en voorzieningen in de wijken om de dragende samenleving zo goed mogelijk te laten functioneren ter versterking van de eigen kracht en het netwerk van Amsterdammers. De sociale basis maakt mede de onderlinge hulp en ondersteuning van Amsterdammers mogelijk. Het aanbod is toegankelijk voor alle Amsterdammers, zowel Amsterdammers met een ondersteuningsvraag als Amsterdammers die ondersteuning willen en/of kunnen bieden. De sociale basis omvat:
Informatie en advies
Ondersteuning ter versterking van vrijwillige inzet en informele netwerken
Ondersteuning ter activering, participatie en talentontwikkeling
Ondersteuning voor mantelzorgers
Collectieve ondersteuning
5. Algemene voorziening
Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat zonder indicatie toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. De meeste algemene voorzieningen zijn voor de Amsterdammer die er gebruik van maakt gratis. Voor het beschermd vervoer wordt een ritbijdrage gevraagd. Een Amsterdammer die naar het oordeel van de gemeente voor een specifieke vorm van ondersteuning gebruik kan maken van een algemene voorziening, komt daarmee niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor die ondersteuning.
In hoofdstuk 3 zijn de algemene voorzieningen opgenomen die (een deel van) de ondersteuningsvraag op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, opvang en beschermd wonen kunnen oplossen.
6. Maatwerkvoorziening
Een Amsterdammer kan voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komen als andere oplossingen niet of niet voldoende tot een oplossing leiden. Voor een maatwerkvoorziening is een individuele toekenning nodig. Het kan zijn dat de gemeente een andere organisatie vraagt om de beoordeling voor de individuele toekenning te doen. Voor maatwerkvoorzieningen geldt in een aantal gevallen een bijdrage in de kosten. In hoofdstuk 4 A. zijn de maatwerkvoorzieningen opgenomen die door de gemeente worden ingezet ter ondersteuning van de zelfredzaamheid, participatie, opvang of beschermd wonen.
7.Financiële tegemoetkoming meerkosten
Een Amsterdammer met een chronische ziekte of beperking met een laag inkomen kan in aanmerking komen voor een vergoeding van meerkosten als gevolg van de beperking. Voor de financiële tegemoetkoming meerkosten is een individuele toekenning nodig. De beoordeling en uitbetaling van de tegemoetkoming meerkosten gebeurt (met uitzondering van de sportvoorzieningen) door Werk, Participatie en Inkomen (WPI).
Casemanagement
Casemanagement kan worden geboden aan Amsterdammers die zeer complexe problemen hebben op het gebied van maatwerkvoorzieningen. Of die in omstandigheden verkeren waarbij uitgebreider onderzoek moet worden gedaan om een goed beeld van de situatie en de daaruit voortvloeiende aanvraag te krijgen. Een beperkt aantal Amsterdammers wordt jaarlijks op basis van door het college vastgestelde criteria geselecteerd door een adviesbureau voor deze intensieve begeleiding. De Wmo-melding wordt in dat geval door een multidisciplinair samengesteld team van medewerkers van de gemeente en externe adviseurs beoordeeld. Tijdens de verdere afhandeling van de melding, aanvraag en levering vindt intensieve begeleiding plaats door een casemanager. Indicatiestelling door een extern adviseur is een standaard onderdeel van de afhandeling van de aanvraag.