Naar hoofdinhoud
(artikel 4.9 en 4.11 Wmo-verordening 2015) Inleiding Leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving Compensatie voor langdurige beperkingen bij het lokaal verplaatsen van personen is gericht op het sociaal vervoer, ook wel vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving genoemd. Het gaat in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn of haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen. De directe woon- of leefomgeving is de wijk of het stadsdeel waarin de persoon met beperkingen woont. Sociale bestemmingen buiten het eigen stadsdeel maar binnen Amsterdam kunnen ook in de directe woon- of leefomgeving vallen als deze bestemmingen dichterbij niet voorkomen en voor de aanvrager aantoonbaar van belang zijn voor het leven van alledag. Een voorbeeld hiervan is familie en vrienden bezoeken die aan de andere kant van de stad wonen. Vervoer naar nog verder weggelegen bestemmingen valt onder verantwoordelijkheid van het Rijk en wordt uitgevoerd door Valys. Uitgangspunt is dat de Amsterdammer 1.500 kilometer met een bandbreedte tot 2.000 kilometer in zijn directe woon- en leefomgeving kan afleggen. Wegingsfactoren Wanneer een persoon met beperkingen in overwegende mate en langdurig niet kan deelnemen aan het leven van alledag kan een Wmo vervoersvoorziening die sociale participatie bewerkstelligt verstrekt worden. Een verstrekking hoeft niet geheel tegemoet te komen aan de vervoersbehoefte van de aanvrager. Het is aanvaardbaar dat de aanvrager zich ook enige beperkingen getroost en zijn vervoerspatroon en de vervoersbehoefte aanpast aan zijn mogelijkheden. Door het uitblijven van een verstrekking mag de aanvrager echter niet in een sociaal isolement terecht komen. Bij het vaststellen of iemand in aanmerking komt voor een Wmo vervoersvoorziening wordt rekening gehouden met: de beperkingen van de aanvrager; de mogelijkheid van de aanvrager om op een verantwoorde wijze gebruik te maken van de vervoersvoorziening; de individuele vervoersbehoefte van de aanvrager; de mogelijkheid om op andere wijze geheel of gedeeltelijk in die vervoersbehoefte te voorzien. Ad a. Beperkingen De beperkingen moeten de aanleiding zijn voor het vervoersprobleem. De beperkingen moeten blijvend of langdurig aanwezig zijn en dit moet medisch zijn vastgesteld. Dit is nodig omdat alleen nadat gebleken is dat het fysieke of psychische probleem niet (verder) door behandeling kan worden opgelost, vastgesteld kan worden of een vervoersvoorziening - en zo ja welke - langdurig noodzakelijk zal zijn. Ad b. Gebruik Bij het vaststellen van de goedkoopst adequate voorziening, wordt ook gekeken naar de mogelijkheid van de aanvrager om van de beoogde voorziening op een verantwoorde wijze gebruik te maken. Problemen in bijvoorbeeld de waarneming en/of de motoriek kunnen dusdanig van invloed zijn op de rijgeschiktheid, dat toekenning van een voorziening niet verantwoord is. Ad c. Individuele vervoersbehoefte Bij het vaststellen van de individuele vervoersbehoefte wordt gekeken naar vervoersdoelen, de hiervoor af te leggen afstanden en de frequentie waarin ze worden bezocht. Deze aspecten zijn van belang enerzijds om te kunnen bepalen of de vervoersbehoefte in relatie staat tot sociale participatie en op grond daarvan al dan niet onder de Wmo valt; anderzijds om te bepalen welke vervoersvoorziening de goedkoopst adequate en meest proportionele voorziening is. Ad d. Voorliggende oplossingen Voorliggende oplossingen die aan de orde komen zijn andere wet- en regelgevingen, oplossingen die de aanvrager zelf zonder meerkosten kan bewerkstelligen (zoals de aanwezigheid van een eigen vervoermiddel, mogelijkheden om door middel van een andere organisatie van het gezamenlijke huishouden te voorzien in taken die gedaan moet worden), algemeen gebruikelijke voorzieningen (waarvan in ieder geval het openbaar vervoer) en het collectief Wmo vervoer. Van verwijzing naar andere wet en regelgeving kan sprake zijn als (een deel van) de vervoersbehoefte geen betrekking heeft op sociaal vervoer. Voorbeelden hiervan zijn woon-werk verkeer en vervoer van en naar school (leerlingenvervoer). Als na de weging van voorliggende oplossingen een sociale vervoersbehoefte resteert waarin niet wordt voorzien dan biedt het college hiervoor compensatie door het verstrekken van de goedkoopst adequate voorziening. Leven van alledag: de weging van verschillende vervoersdoelen a. Doen van boodschappen Als een persoon met beperkingen problemen heeft met het doen van boodschappen zijn er binnen de Wmo voorzieningen van de verordening twee oplossingsrichtingen: hulp bij het huishouden of een vervoersvoorziening. Een vervoersvoorziening als oplossingsrichting komt in beeld als er sprake is van langdurige noodzaak en het doen van boodschappen voor de persoon met beperkingen belangrijk is voor zijn sociale participatie. b. Recreatief vervoer en buiten zijn Als recreatief vervoer of het buiten zijn voor de persoon met beperkingen deel uitmaakt van het leven van alledag, wordt met dit vervoersdoel rekening gehouden in de afweging voor een Wmo vervoersvoorziening. c. Zorg voor kinderen Bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen aan ouders met een beperking wordt rekening gehouden met de zorg voor kinderen. Dit kan aanleiding zijn voor het verstrekken van een individueel vervoermiddel. Er worden echter ook alternatieven betrokken die de ouders zelf voor dat vervoer kunnen organiseren. Als dergelijke alternatieven voorhanden zijn, wordt geen individueel vervoermiddel verstrekt. Intramuraal verblijf Er worden geen individuele vervoersvoorzieningen en vervoer naar dagbesteding verstrekt aan bewoners van Wlz-instellingen (Er zijn in 2019 bestuurlijke afspraken gemaakt tussen de VNG en het ministerie van VWS over de verstrekking van hulpmiddelen en roerende voorzieningen aan cliënten in een Wlz-instelling. Vanaf 2020 geldt een overgangsregeling waarbij voor cliënten die een roerende woonvoorziening of een individuele vervoersvoorziening uit de Wmo ontvangen geldt, dat pas bij vervanging van het Wmo-middel verstrekking vanuit de Wlz plaatsvindt. Tot de vervanging door de Wlz-instelling heeft plaatsgevonden, blijft de gemeente verantwoordelijk voor de huur, het onderhoud en reparatie van de voorzieningen). Uitsluitingen a. Algemeen gebruikelijk Algemeen gebruikelijk is onder andere reizen met het openbaar vervoer, lopen, fietsen, rijden op een bromfiets, (mee)rijden in een auto als die beschikbaar is. Als mensen een vervoersprobleem hebben dat zij met een algemeen gebruikelijk middel kunnen oplossen, dan is er geen aanleiding om op grond van de Wmo in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening. b. Vervoer in verband met werk Bij de beoordeling van aanspraken op vervoersvoorzieningen wordt geen rekening gehouden met vervoersbehoefte in verband met werk. Voor werkgerelateerde voorzieningen zijn andere regelingen voorliggend. Deze regelingen worden uitgevoerd door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) of vallen onder de Participatiewet. c. Vervoer in verband met therapie, dagbehandeling/dagbesteding of bezoek aan medischebehandelaars Vervoer van en naar dagbehandeling of dagbesteding gefinancierd vanuit de Wlz of de Zvw valt niet onder de Wmo. Voor deze vervoersbestemmingen zijn de Wlz en de Zvw voorliggend. Voor vervoer van en naar medische behandelaars is er voor bepaalde situaties een voorliggende voorziening vanuit de Zvw. d. Vervoer in verband met het volgen van onderwijs en opleiding Vervoer in verband met onderwijs valt evenmin onder de Wmo. Er zijn voorliggende voorzieningen, zoals het leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving, en voorzieningen die via het UWV worden verstrekt, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en de Participatiewet. Individuele vervoersvoorzieningen: vervoermiddelen in natura of als persoonsgebonden budget, en financiële tegemoetkomingen De individuele Wmo vervoersvoorzieningen bestaan uit: vervoersvoorzieningen in natura; vervoersvoorzieningen in de vorm van een persoonsgebonden budget; vervoersvoorzieningen als financiële tegemoetkoming; sportvoorzieningen in de vorm van een financiële tegemoetkoming meerkosten. a. Verstrekkingen in natura of als persoonsgebonden budget Onder naturaverstrekkingen vallen goederen en diensten die aan de persoon met beperkingen in bruikleen worden toegekend. Het onderhoud, de reparatie en verzekering van vanuit de Wmo verstrekte vervoermiddelen komen ten laste van de gemeente. Voor vervoermiddelen die in bruikleen zijn verstrekt zijn de kosten van onderhoud, reparatie en verzekering in de bruikleenovereenkomst geregeld. In principe kan op verzoek van de aanvrager een individuele vervoersvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget worden verstrekt. De situaties waarin dat niet mogelijk is zijn in paragraaf 4.2 van deze Nadere regels opgenomen. Een aantal vervoersvoorzieningen wordt enkel als persoonsgebonden budget verstrekt, te weten aanpassingen aan een eigen vervoermiddel, gebruik (rolstoel) taxi of vervoer door derden en gebruik (rolstoel) taxi of vervoer door derden naast fiets, scootmobiel of (elektrische) rolstoel. b. Financiële tegemoetkomingen vervoer Financiële tegemoetkomingen in de kosten van vervoer zijn vergoedingen voor het gebruik van een vanuit de Wmo verstrekt of eigen vervoermiddel, of een geldbedrag bedoeld voor zelf te regelen vervoer. De hoogte van de vergoeding is gebaseerd op een aantal aflegbare kilometers in het kader van het leven van alledag, op de kosten van het gebruik van het vervoermiddel dat nodig is om de afstand te overbruggen of om het vervoer naar dagbesteding mogelijk te maken. De vergoeding wordt toegekend voor één jaar; daarna volgt een verlenging met mogelijk een herbeoordeling. Het bedrag van een toegekende vergoeding voor vervoer wordt berekend beginnend op de eerste dag van de maand waarin de aanvrager het verzoek hiertoe heeft ingediend. De vergoeding voor vervoer wordt vooraf per drie maanden uitbetaald. Een bedrag lager dan € 300,00 per jaar wordt in één keer uitbetaald. Als binnen een huishouden de persoon met beperkingen samen reist met een ander lid van het huishouden dan zijn er geen of minder meerkosten dan in de situatie dat de persoon met beperkingen alleen reist. Daarom wordt met samenvallende vervoersbehoeften rekening gehouden bij het vaststellen van de hoogte van de vergoeding. Deze situatie doet zich voor bij leden van één huishouden, kinderen en volwassenen. Als meerdere leden van een huishouden op grond van hun beperking in aanmerking komen voor een vergoeding, wordt er vanuit gegaan dat een deel van de vervoersbehoefte samenvalt. De hoogte van de vergoeding bedraagt in het geval dit twee personen betreft voor iedere persoon met beperkingen 75%. c. Financiële tegemoetkoming meerkosten sportvoorziening De financiële tegemoetkoming in de meerkosten van een sportvoorziening is een geldbedrag als tegemoetkoming in de (meer)kosten van de aanschaf en het onderhoud van een, door de persoon met beperkingen zelf te bepalen, sportvoorziening of aanpassing op een sportvoorziening. Individuele vervoersvoorzieningen Een persoon met beperkingen kan voor een vervoersvoorziening in aanmerking komen wanneer aantoonbare beperkingen het gebruik van het openbaar vervoer onvoldoende mogelijk maken. Uitsluitend aantoonbare beperkingen in relatie tot de individuele vervoersbehoefte van de persoon met beperkingen zijn bepalend voor de vraag of, en zo ja in hoeverre de aanvrager in aanmerking komt voor een voorziening. Is een bus of tram voor iemand met een beperking niet toegankelijk, dan kan men recht hebben op verstrekking van een vervoersvoorziening. Als er een voorliggende voorziening mogelijk is wordt geen individuele vervoersvoorziening verstrekt. Psychische problemen (men durft niet in een drukke bus, men is bang in een tram) zijn in principe geen indicatie voor een vervoersvoorziening. Behandeling is in dat geval de voorliggende voorziening. Als blijkt dat het probleem niet (meer) door behandeling opgelost kan worden dan is wel een langdurige noodzaak aanwezig en zou wel een vervoersvoorziening verstrekt kunnen worden. De Amsterdammer met beperkingen wordt in staat gesteld om zich te verplaatsen, zodat hij datgene kan doen wat mensen normaal gesproken doen: het zogenaamde leven van alledag.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel