In de Wmo is geen onderscheid gemaakt tussen resultaten die bereikt moeten worden op het gebied van het verrichten van huishoudelijke activiteiten en resultaten die bereikt moeten worden ten aanzien van de geschiktheid van een woning. Beide resultaten behoren tot het ‘voeren van een huishouden’.
Bij het resultaat wonen in een geschikt huis is er één belangrijke voorwaarde voordat er gecompenseerd kan worden: er moet een woning zijn. Als er geen woning is, is het niet de taak van de gemeente om voor een woning te zorgen. Iedere Nederlandse burger dient zelf voor een woning te zorgen. Bij de keus van een woning wordt uiteraard rekening gehouden met de eigen situatie. Dat betekent ook dat er met bestaande of in de toekomst te verwachten beperkingen rekening wordt gehouden.
Een individuele woonvoorziening wordt slechts getroffen ten aanzien van de bereikbaarheid, de toegankelijkheid en de bruikbaarheid van de woning. De geschiktheid van de woning concentreert zich op het gebruik van woonruimten waar de normale, elementaire woonfuncties plaatsvinden, zoals de woonkamer, slaapvertrekken, keuken, sanitaire ruimten, en eventueel de berging, de tuin of het balkon. Tot de elementaire woonfuncties worden gerekend: eten, slapen, bad- en toiletgebruik en veilig kunnen spelen door kinderen. Ook koken en de was doen worden tot de elementaire woonfuncties gerekend. Afhankelijk van de woonfunctie en het daadwerkelijk gebruik (frequentie), kunnen ook de tuin, het balkon of het terras toegankelijk gemaakt worden. Het wonen en eten verplaatst zich in de zomer immers vaak naar buiten. Het uitoefenen van een hobby valt echter niet onder de elementaire woonfuncties en valt daarom buiten de compensatieplicht.
Compensatie is eveneens niet aan de orde indien het probleem het gevolg is van de aard van de in de woning gebruikte materialen of van achterstallig onderhoud. De woningeigenaar, dan wel de belanghebbende is hiervoor zelf verantwoordelijk. Indien straatwerk bijvoorbeeld verzakt is, dan betreft dit algemeen gebruikelijk onderhoud.