Aak

De Aak is een niet op een steven gebouwd zeilend of gesleept vrachtschip. Het opvallendste kenmerk van een Aak is dat de brede overnaadse huidgangen in het voorschip en het achterschip bij elkaar worden gehouden zonder gebruik te maken van een stevenbalk. De vlakgangen in de kop lopen tot aan het dek of bovenboord toe op. Dit deel noemt men de heve. Aken zijn vrij licht gebouwd en hebben geen stuiten en weinig zeeg. Aan de achtersteven is een doossteven bevestigd voor het aanhangen van het roer. Aken werden eerst in hout, later in ijzer en daarna in staal gebouwd. Met aken werd alle voor- komende (bulk)vracht over de binnenwateren vervoerd.

De ‘Aak’ is een verzamelnaam voor vele ondersoorten. Deze werden genoemd naar het gebied waar het schip was gebouwd of naar het soort lading waarvoor het schip werd gebruikt. Diverse ondersoorten bestaan inmiddels niet meer. Van een aantal ondersoorten zijn nog wel exemplaren bewaard gebleven, waaronder

Hagenaar

De ‘Hagenaar’ was aanvankelijk een verzamelnaam voor verschillende aken die vaak op Den Haag voeren, maar werd later vooral gebruikt als naam voor een aak waarvan de maten waren afgestemd op de maatvoering van de Wagen- brug in Den Haag. De Wagenbrug was een vaste brug, die aanvankelijk 2.40 m hoog was, maar na 1928 slechts 2.30 m. De bovenkant van de helmstok, de bovenkant van de mastkoker en de bovenpunten van de stevens lagen in een één lijn om onder de smalle en lage Wagenbrug door te kunnen. Daartoe moest dan ook nog het bovenstuk van de anker- en strijklier opklapbaar zijn.

Veel onderdelen zoals zwaarden, strijkklampen en de schildpadblokken van de zwaardlieren waren vaak wegneembaar. Daartoe konden enkele centimeters gewonnen worden, wat belangrijke winst opleverde. Dit schip vervoerde vooral bouwmaterialen door de grachten van Den Haag.

Het type is veel gebouwd eind 19de, begin 20e eeuw, eerst als zeilschip, later werden ze veelal gemotoriseerd.

Hasselter aak

De ‘Hasselter aak’ werd gebouwd in de steden in Noordoost Overijssel, zoals Hasselt, Zwartsluis, Kampen en Dedemsvaart. Ze werden vooral gebruikt voor het vervoer van turf, maar ook wel voor zand, grind en voor de ‘wilde vaart’, oftewel het varen waar er maar lading te verschepen is.

Kagenaar

De ‘Kagenaar’ is een kleine aak, die goedkoop te bouwen was. In Zuid-Holland was het een populair vaartuig in de land- en tuinbouw. Een Kagenaar werd meestal niet gezeild maar ‘gewogen’. Dat wil zeggen dat het scheepje werd voortbewogen met een weegboom, een lange stok die in een uitsparing op het achterschip gestoken kon worden. De schipper liep op de kant en duwde met de weegboom het schip vooruit.

Rietaak

De ‘Rietaak’ werd gebruikt voor het snijden en vervoeren van riet, dat vooral werd gebruikt als dakbedekking of voor rietmatten.

IJsselaak

De ‘IJsselaak’ werd specifiek gebouwd voor de vaart op de Hollandse IJssel en was bedoeld voor het vervoer van zand en grind.

Zandaak

De ‘Zandaak’ werd gebruikt voor het vervoer van zand. Ze werden vaak gebouwd voor het baggerbedrijf.

Stevenaak

De ‘Stevenaak’ was bedoeld voor de vaart op de rivieren en was een snel rivierzeilschip. De Stevenaak behoort eigenlijk niet tot de aken, omdat het geen heve heeft, maar een wat spits toelopend en naar voren stekend en uitwaai- erend voorschip. Een Stevenaak wordt ook wel een Rijnschip of Rivierschip genoemd.

Dekschuit en Motordekschuit

Dekschuit is de algemene term voor een schip zonder eigen voortstuwing en zonder tuigage. Het vrij vlakke dek ligt gelijk met de bovenzijde van de romp en is van voor- tot achtersteven gesloten. Wel bevinden zich in het dek toegangsluiken tot het inwendige van de romp. Dekschuiten waren vooral in gebruik als ‘lichter’ om lading van zeeschepen naar de binnenstad te vervoeren. Ze zijn nog veel in gebruik voor opslag in steden, bijvoorbeeld van bouwmateriaal. De dekschuit kan ook als drijvende werkvloer worden gebruikt.

Een motordekschuit is een dekschuit met eigen voorstuwing. Motordekschuiten hebben een gesloten dek en weinig zeeg en zijn meestal voorzien van een ronde kont. De machinekamer bevindt zich voor de stuurhut op het achter- schip. De stuurhut heeft meestal een wegklapbare bovenkant en is over het al- gemeen voorzien van een horizontaal stuurwiel. Vaak bevindt zich op het voorschip een roefje. Motordekschuiten zijn gebouwd als werkschepen waarop lading aan dek kon worden gezet, veelal bouwmaterialen of machines.

Kast

De kast is een vrij groot stalen vrachtschip met een steile voorsteven en een geveegd achterschip met rechtopstaand hek. Kasten hebben alleen op het voor- en achterschip een boeisel; langs het gangboord loopt een voetreling. De kast werd in eerste instantie gebouwd als zeilschip of als sleepschip, maar later ook als motorschip. De schipper bestelde de maat van het schip aan de hand van de lengte van de sluizen in het gewenste vaargebied. Een bekend type kast is de Friese maatkast. De maten daarvan waren afgestemd op de maten van de sluis van Stavoren. Een ander bekend type is de Kempenaar, die geschikt was om te varen in de Belgische Kempen.

Klipper

De klipper heeft een S-bocht in de voorsteven. De klipper is een snel zeilschip met een vooruitstekend en uitwaaierend voorschip en een geveegd achter- schip. Het roer wordt door het dek gestoken, waardoor je kon sturen met een stuurrad in plaats van met een helmstok. Klippers zijn ontworpen voor de vrachtvaart en werden aan het eind van de 19e eeuw gebouwd in ijzer en staal. Klippers waren voor de bulkvaart in gebruik op de rivieren, de Zeeuwse stro- men en de Wadden.

Kenmerkend voor Zeeuwse klippers is het rechtopstaande hek. Klippers met een naar buiten vallend hek zijn vaak Friese klippers.

Klipperaak

De ‘Klipperaak’ heeft de kop van een klipper, maar een vol en rond achter- schip, met een aangehangen in plaats van met een doorgestoken roer. Zo werd meer ruimte in het achterschip gecreëerd voor bewoning en werd meer laadvermogen verkregen. De Klipperaak werd voor dezelfde doeleinden ge- bruikt als de klipper, het varen met bulkgoed.

Er zijn vele varianten Klipperaken gebouwd, maar de meest voorkomende was de ‘Klipper met paardenkont’. Dit schip had een bolle, wat tjalkachtige achter- kant. Ook de kop van een Klipperaak werd vaak wat minder vooruitspringend. De kop van een Klipperaak is vaak wat voller en plomper, soms bijna stomp.

Kotter

Een ‘Kotter’ is oorspronkelijk een S-spant zeilschip, dat vooral voor de zeevisserij is gebruikt. Ze werden eerst in hout gebouwd en later van staal. De oudere typen zijn slanke schepen met een hoge scherpe steile steven en meestal een geveegd achterschip met een naar buiten vallend boeisel. De modernere kotters zijn gebouwd als motorschip. Op viskotters is meestal duidelijk de lettercode van de thuishaven en een volgnummer zichtbaar, naast de naam van het schip.

Kraak

De ‘Kraak’ is een ijzeren of stalen vrachtschip met een steile voorsteven en een geveegd achterschip. Kraken zijn gebouwd als zeilschip en ook als sleepschip.

Meest opvallende kenmerk van een kraak is dat de voorsteven boven het berg- hout naar binnen knikt. Kraken werden vaak gebouwd met een lage kruip- hoogte. Het waren vaak paviljoenschepen. Kraken werden vooral op

Zuid-Hollandse werven gebouwd en waren in gebruik als bulkschip op de binnenwateren en de rivieren. Er zijn nog maar weinig kraken bewaard gebleven.

Luxe motor en Beurtmotor

De ‘Luxe motor’ en de ‘Beurtmotor’ zijn vrachtschepen, die vanaf ongeveer 1910 veel zijn gebouwd. Het was het eerste type schip dat specifiek gebouwd werd voor voortstuwing met een verbrandingsmotor, terwijl voorheen vracht vervoerd werd met zeilschepen en stoomschepen. De term ‘luxe motor’ komt van de relatief grote roef met comfortabele woning die in het achterschip gerealiseerd kon worden. Deze waren beduidend groter dan de krappe lage roefjes van de zeilende vrachtvaarders van die tijd. Scheepsmotoren waren vrij prijzig, zodat alleen de rijkere schippers zich een dergelijk schip konden veroorloven.

Luxe motor

Een ‘Luxe motor’ heeft een vrij scherpe verticale voorsteven, een flinke zeeg en een geveegd achterschip. Het scherpe voorschip en de geveegde kont lijken nog op de sleepschepen en stoomschepen, maar het schip heeft meer zeeg. De kop ligt flink hoger dan het achterschip. Aanvankelijk werden luxe motoren nog gebouwd met een hulptuig, zodat zij zo nodig een zeil konden bijzetten. Veel luxe motoren waren voorzien van een hijstuig met zelflosser, zodat ze zonder gebruik te hoeven maken van een kraan op de wal zelf hun lading konden lossen.

Beurtmotor

Een speciaal type luxe motor is de ‘Beurtmotor’. Met deze schepen werden veel lijndiensten (beurtvervoer) onderhouden. Vaak had de beurtmotor een breed en zwaar uitgevoerd berghout. Meestal had de beurtmotor een groot voordek, zodat lading los aan dek kon worden geplaatst. In de regel had een beurtmotor een hijstuig, waarmee het zelf lading kon lossen.

Ponton

Een ‘Ponton’ is een rechthoekig drijflichaam met een plat dek en zonder op- bouw. Meestal werden zij gebouwd als platform, bijvoorbeeld voor een drijvende kraan of bok, een baggermolen of als opslag voor gereedschap of als werkplatform. Pontons zijn vaak verbouwd tot woonark.

Rondvaartboot

Een motorvaartuig met een geringe kruiphoogte en een bijna geheel glazen opbouw op een lage, vrij brede romp, met een bijna vlakke spiegel, met een stuurstand aan de voorzijde van de passagiersaccommodatie, bestemd voor korte rondvaarten voor passagiers.

Sleepboot

De ‘Sleepboot’ of kortweg ‘sleper’ is een schip dat aanvankelijk is gebouwd om zeilende vrachtschepen tegen wind en stroom in te kunnen slepen. Sleepboten zijn robuuste schepen met een scherpe steile voorsteven, een oplopende zeeg en een sterk geveegd achterschip met een steil naar binnen vallend hek.

Op het achterdek staat een ‘beting’, waaraan de sleeplijnen worden bevestigd. Een beting is een zeer sterke bolder, een H-vormige constructie van twee verticale buizen en een horizontale buis. Sleepboten zijn voorzien van een grote en sterke motor.

Sleepboten met een versterkte kop worden in de winter gebruikt als ijsbreker. Tegenwoordig worden sleepboten veel gebruikt om grote schepen de haven in te slepen.

Amsterdammertje

Een bekend type vrij slanke sleepboot is het Amsterdammertje. Dit is een typische havensleepboot die door zijn lage kruiplijn ook in de Amsterdamse grachten kon worden ingezet.

Opduwer

Een ander type sleepboot is de ‘Opduwer’. Dit zijn kleine motorbootjes van

4 tot 7 meter, die begin 20e eeuw veel gebouwd zijn om zeilende vrachtschepen voort te duwen. Opduwers fungeerden zo eigenlijk als externe scheepsmotor.

Snik

Een ‘Snik’ is een open, platboomd vaartuig, dat geboomd, getrokken of gezeild kon worden. De Snik is eeuwenlang vooral gebruikt als trekschuit voor het vervoer van mensen en goederen langs de vele kanalen die Nederland rijk is. Het was lange tijd het belangrijkste vervoermiddel van ons land.

Een Snik is een houten en later een stalen scheepje met een vrijwel rechte, sterk voorovervallende voorstevenbalk en weinig zeeg. Snikken kwamen vooral veel voor in Groningen, Friesland en Holland. Men kende daarom de Groninger snik, de Friese snik en de Hollandse snik. De Groninger snik voer met name in de maren (vaarwegen) op het Hoge Land en in de Veenkoloniën met turf en stukgoed. De Friese snik was meestal uitgevoerd als zeilschip, om ook de Friese meren over te kunnen steken. In Zeeland en Brabant kende men ook zeilende snikken, die werden gebruikt om verse vis vanaf grotere vissersschepen landinwaarts te transporteren.

De Snikken die specifiek werden gebouwd voor passagiersvervoer hadden over de volle breedte van het schip van voor tot achter een roef, zodat de passagiers ook met koud en nat weer droog konden zitten.

Er zijn weinig originele snikken bewaard gebleven. Wel zijn er enkele replica’s gebouwd, zodat mensen kunnen ervaren hoe een trekschuit in z’n werk gaat.

Spits

De ‘Spits’ is een type vrachtschip afkomstig uit België. Het is een ijzeren of stalen vrachtschip (voorheen ook in hout of met een houten vlak gebouwd) met een steile voorsteven, een bol voorschip en bol achterschip met doossteven en aangehangen roer, bij sleepspitsen vaak een ‘klaproer’. De spits is soms voor- zien van een koproer. Het zijn lange relatief smalle schepen met een groot vrachtruim in verhouding tot de breedte. Spitsen hebben weinig zeeg. Zij worden nog veel gebruikt in Zuid-Nederland, België en Noord-Frankrijk. De maatvoering is afgestemd op de kanalen in België en de sluizen in Frankrijk en bedraagt meestal 38 tot 39 meter in de lengte en 5 meter in de breedte. Spitsen zijn gebouwd als sleepschip of jaagschip en later als motorschip.

Ook de spitsen werden als maatschip gebouwd. Elk type spits heeft zijn eigen kenmerken. Zo onderscheiden we bijvoorbeeld de Maasspits, de Verdunspits, de La Louvièrespits, de Moerbekespits, de Tielrodespits en nog veel meer typen Belgische spitsen. Deze spitsen zijn vaak uitgerust met een woning in de roef voorzien van fraaie ornamenten, zoals houtsnijwerk, schilderingen en versierd glas. Daarnaast bestaan ook de Hollandse spits en de Franse spits. Want ook op Nederlandse werven werden spitsen gebouwd, zoals bijvoorbeeld her- kenbaar is in de naam van het type Dedemsvaartse spits.

Steilsteven

De ‘Steilsteven’ is één van de laatste zeilende vrachtschepen. Later zijn de Steilstevens veelal gemotoriseerd. Een Steilsteven is een schip met een recht naar beneden vallende voorsteven, vandaar de naam, en een bol achterschip, de zogenoemde paardenkont. Meestal hadden Steilstevens stalen zwaarden en niet veel zeeg. Het achterschip is voorzien van een doossteven en een aangehangen roer. Het bolle achterschip zorgde voor meer ruimte voor de woning en tegelijkertijd voor meer laadvermogen. Een Steilsteven is relatief breed ten opzichte van de holte. Zij waren in gebruik als bulkschip, vooral voor het vervoer van turf.

Tjalk

De ‘Tjalk’ was lange tijd het meest voorkomende type zeilende vrachtschip in Nederland. De naam werd al in de 17e eeuw gebruikt om schepen met ronde boeg aan te duiden. Aanvankelijk werd de Tjalk gebouwd in hout, maar later in ijzer en daarna in staal. Kenmerkend zijn een rechthoekige dekvorm en de fraai gebogen ronde voor- en achtersteven. Verdere kenmerken zijn invallende boeisels bij voor- en achterschip, een breed berghout, zwaarden en een aangehangen roer aan een doossteven.

Tjalken waren door heel Nederland in gebruik als vrachtschip, maar iedere provincie had zijn eigen kenmerken. Het scheepstype kent vele uitvoeringen. Zo bestaat onder andere de Drentse tjalk, de Groninger boltjalk, het Friese skûtsje en de Hollandse tjalk. Zowel zeetjalken als binnenvaarttjalken komen voor.

Zeetjalken waren vooral bestemd voor de kustvaart, tot aan Noorwegen toe. Een variant op de tjalk was de in Noord-Nederland bekende Bol of Bolschip. Dit was eveneens een zeilschip, maar eenvoudiger uitgevoerd dan een tjalk, met minder zeeg, minder hoge en ronde stevens en een smal berghout. Ook de Bol wordt onderscheiden in ondersoorten, zoals de Groninger bol, de Platte bol en de Bolle met boord.

Veerpont

Veerponten werden en worden gebruikt voor het overzetten van mensen, die- ren en vervoermiddelen. Sommige veerponten zijn verbouwd tot woonboot, vaak met een aangepaste opbouw erop.

Vissersschepen (botter, schouw, boeier, jol, hoogaars, hengst)

Rond de grote rivieren, de Zeeuwse wateren en het IJsselmeer (Zuiderzee) zijn veel typen vissersschepen gebouwd, voorheen van hout, later van staal en nog later ook van polyester. Bekende typen zijn de botter, schouw, boeier, jol, hoogaars en hengst. Voor zover deze voormalige vissersschepen nog behouden zijn gebleven, zijn de meeste later verbouwd als recreatievaartuig. Sommige typen, zoals de Lemster aak, worden nog veel naar oud model nieuw nagebouwd als recreatie- of wedstrijdvaartuig. De schepen die vooral gebruikt zijn als vissersschepen zijn: aakjes, kubboten, botters, schouwen (spekbakken) en kotters.

Westlander

De ‘Westlander’ is een ondiep en laag gebouwd schip voor de smalle vaarten, korte bochten en lage bruggen in het poldergebied van het Westland. Een westlander heeft een kenmerkende puntige voorsteven die uitloopt in een kort ijzeren uitsteeksel, een uitlopende doossteven. Tot de familie van de westlander behoort ook de bok. De westlanders waren veelal in gebruik als akkerschuiten voor het vervoer van groente en fruit uit het Westland naar

de steden. Er waren zeilende en motorwestlanders, maar een kenmerkende manier van voortbewegen is ook het ‘wegen’. Hiertoe zat er een sleuf, de ‘wegering’ in het achterdek, waar de schipper een lange stok, de weegboom in kon steken, om het scheepje zodoende lopend op de kant voort te kunnen duwen.

Bijboten

Bijboten zijn kleine bootjes, die bedoeld zijn om meegenomen te worden (vooral op binnenvaart- of zeeschepen) of als volgboot achter kleinere schepen en jachten te worden gesleept. Bijboten dienen als reddingboot, om te kunnen werken aan de buitenkant van het schip, voor het vervoer naar of van de wal, en het uitbrengen van het anker. Ook in de staand want visserij werden bij- boten gebruikt om fuiken, lijnen, kubben of ankerkuilen uit te zetten of op te halen. Er zijn zeer veel typen bijboten, die vaak plaatselijk in kleine series gebouwd werden. Bijboten werden vroeger vooral gebouwd in hout, later in ijzer en staal, maar tegenwoordig ook in polyester en in rubber. Vaak zijn bijboten gebouwd als roeiboot of gewrikte boot, maar zeilende bijboten kwamen ook voor. Tegenwoordig zijn bijboten veelal uitgerust met een buitenboordmotor. Bijboten worden op historische schepen vaak meegenomen hangend aan de davits of met behulp van de davits op het roefdak of de luikenkap gezet.

De bekendste bijboot is de ‘schippersvlet’. Andere bekende typen zijn de Hollandse boot, de schouw, de Brabantse boot, de jol, de Beenhakker, de vlieger en de sloep.

Jacht

‘Motorjachten’ en ‘Zeiljachten’ zijn aanvankelijk kleine scheepjes, speciaal gebouwd voor de pleziervaart. Meestal zijn zij gebouwd van dunne staalplaat, later ook van polyester. Jachten werden zowel door werven als in eigen beheer gebouwd. Begin 20e eeuw was een plezierjacht slechts voor weinigen weggelegd. Inmiddels komen er zeer vele typen en maten motorjachten en zeiljachten voor en is de watersport een populaire vrijetijdsbesteding geworden.

Baggerschepen

‘Baggerschepen’ zijn speciaal ontworpen om materiaal van de bodem op te nemen en naar een andere plaats te vervoeren. Baggerschepen worden onder andere gebruikt om havens en vaargeulen aan te leggen en op diepte te houden. Een oud type is de emmerbaggermolen en een bekend type op zee is de sleephopperzuiger.

Coaster of kustvaarder

Een ‘Coaster’ of ‘Kustvaarder’ is een handelsschip voor het vervoer van vracht langs de kust tot 35 zeemijl uit de kust. Veel coasters zijn gebouwd op Groninger werven voor de vaart op de Zuiderzee, de Waddenzee, de Oostzee en de vaart op Engeland. Kustvaarders hadden een lengte van maximaal 75 m een laadvermogen van maximaal 500 brt en werden gebruikt voor de kleine handelsvaart. Ze vervoerden vooral bouwmaterialen en hout. De Groninger coasters hadden als bijnaam ‘little grey devils’, omdat het kleine en handige schepen waren die op veel plaatsen konden komen.

Koopvaardijschepen

o.a. bulkschepen, stukgoedschepen, tankschepen, containerschepen en roroschepen

De koopvaardijvloot bestaat uit diverse soorten handelsschepen. De scheeps- typen zijn aangepast aan het soort lading, zoals bulk, natte lading, containers of auto’s. Nederland heeft nog altijd een sterke maritieme positie, zowel op het gebied van scheepsbouw als van rederijen. De schaalvergroting zorgt voor een voortdurende ontwikkeling naar steeds grotere schepen.

Lichtschip

Een ‘Lichtschip’ is een boot die is ontworpen als drijvende vuurtoren. Een lichtschip is daarmee een lichtbaken dat andere schepen waarschuwt voor zand- banken of andere obstakels of gevaarlijke gebieden. Een lichtschip is op een bepaalde positie verankerd. Lichtschepen hebben doorgaans geen eigen voortstuwing, maar wel motoren voor het opwekken van elektriciteit voor de lampen van de vuurtoren op het schip. Lichtschepen konden bemand of onbemand zijn. Lichtschepen hebben doorgaans een signaalrode kleur. Sinds de jaren ’80 zijn er geen lichtschepen meer als lichtbaken in functie.

Logger

Een ‘Logger’ is een zeevissersvaartuig voor de vangst van haring, dat rond 1850 in Nederland bekend werd. Aanvankelijk werden loggers gebouwd van hout, later van staal. Een logger viste met de vleet aan een lijn. Loggers waren snelle zeilschepen met een logger- of kottertuig. Een logger heeft een kenmerkende vorm met een steile steven, gestrekte romp en een sterk overhangend achterschip. Later werden de loggers gemotoriseerd. Ze waren de opvolgers van de houten bomschuiten, die op het strand getrokken werden om hun lading vis te lossen. Inmiddels zijn de loggers vervangen door trawlers.

Loodsboot

Een ‘Loodsboot’ is een boot die een loods aan boord van een zeeschip brengt. De loods brengt het zeeschip veilig een zeehaven binnen. Een loodsboot heeft op een vaste positie op zee en heeft diverse loodsen en loodsjollen aan boord. Een loodsjol is een kleine boot die de loods naar een zeeschip brengt. Vroeger werden de jollen geroeid, later werden ze voorzien van een motor. Tegenwoordig vaart de loods ook wel met een snelle motorboot, een loodstender, vanuit de haven naar een zeeschip toe om het de haven in te begeleiden. Een loodsboot is een stabiel zeewaardig schip met een flinke verblijfsaccommodatie voor de bemanning. Op het dek is ruimte voor de loodsjollen en voor kranen om de jollen van en aan boord te hijsen. Loodsboten kunnen uitgerust zijn met een mitrailleur of boordkanon ter verdediging van het zeegat.

Marineschepen

o.a. kruiser, torpedobootjager, kanonneerboot, torpedoboot, fregat, korvet, patrouillevaartuig, landingsvaartuig, mijnenlegger, mijnenveger, duikboot, transportschip, bevoorradingsschip, vliegdekschip. De Nederlandse marine kent vele typen marineschepen en oorlogsschepen. Doorgaans worden deze schepen, na dienst gedaan te hebben voor de Nederlandse marine, afgestoten en verkocht aan de marine van andere landen. Alleen niet-strategische schepen kunnen verkocht worden aan particulieren. Marineschepen zijn doorgaans grijs of zwart gekleurd en meestal voorzien van wapens.

Reddingsboot

Een ‘Reddingsboot’ is boot die is ontworpen voor het redden van mensen en schepen in nood. Door de tijden heen zijn er roeireddingsboten, zeilreddingsboten en motorreddingsboten gemaakt. De grootte en het type is afhankelijk van het gebruik en het soort vaarwater waarvoor ze zijn bedoeld. Er zijn open reddingssloepen, halve en geheel gesloten reddingsboten, vrijvalreddingsboten en zelf richtende reddingsboten. Reddingsboten zijn vaak opvallend sig- naalkleurig oranje.

Rijkswaterstaat dienstvaartuigen

o.a. patrouillevaartuig, werkschip, charter, tonnenlegger

De Nederlandse dienst Rijkswaterstaat kent diverse typen dienstvaartuigen. Doorgaans worden deze schepen na het einde van hun technische en/of economische levensduur verkocht, soms ook aan particulieren.

Schoener

Een ‘Schoener’ is een zeegaand zeilschip met 2 of meer masten, waarbij de achterste mast doorgaans langer is dan de voorste. De romp van een schoener heeft een S-spant met een diep stekende kiel. Rond 1900 zijn vooral in Groningen veel schoeners gebouwd voor de kustvaart. Na 1920 werden deze zei- lende vrachtschepen vervangen door motorvrachtschepen.

Trawler

Een “Trawler” is een vissersschip voor de vangst van diverse soorten zeevis. Aanvankelijk viste een trawler met scheerborden aan beide zijden, die het net uithielden. Deze trawlers werden zijtrawlers genoemd. Tegenwoordig gebruiken vissers hektrawlers, waarbij het net aan de achterkant van het schip over- boord wordt gezet. Hektrawlers zijn voorzien van vriesinstallaties om de vis aan boord te koelen en te conserveren.

Wad- en Sontvaarder

Een voorloper van de coasters was de ‘Wad- en Sontvaarder’, die vooral tussen 1900 en 1925 werden gebouwd. Het laadvermogen lag tussen de 125 en 250 ton. Het waren motorschepen, soms nog met een hulpzeil, die vooral op Groninger scheepswerven gebouwd zijn. Het type lijkt op de ‘luxe motor’, maar heeft een hoger boeisel met spuigaten of kantelkleppen en een hogere kop en kont, tegen overslaand zeewater. Het waren binnenschepen die ook dicht onder de kust konden varen tot aan de Oostzee toe.