Naar hoofdinhoud
Wet milieubeheer In artikel 1.1a van de Wet milieubeheer (Wm) staat: ‘een ieder neemt voldoende zorg voor het milieu in acht. Deze zogenoemde zorgplicht houdt in ieder geval in dat iedereen ‘die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijke handelingen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Het zorgplichtartikel uit de Wm verplicht (evenals het algemene zorgplichtartikel 13 Wbb) om nieuwe bodemverontreiniging op te ruimen en vormt het uitgangspunt voor het opleggen van specifieke bodem gerelateerde voorschriften in de omgevingsvergunning of in algemene regels. 4 Bron: Handreiking bedrijven en bodemkwaliteit, d.d. 9 juli 2013. Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht De Wabo en het Bor bepalen of er sprake is van een vergunningplicht voor milieuactiviteiten. De vergunningplicht betreft de omgevingsvergunning milieu (artikel 2.1 onder e van de Wabo) en / of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (artikel 2.1 onder i van de Wabo). Voor een beperkt aantal bedrijven geldt een omgevingsvergunningplicht op basis van de Wabo. Veel bedrijfsmatige activiteiten vallen onder de werkingssfeer van algemene landelijke milieuregels, zoals het Activiteitenbesluit. In artikel 2.11 van het Activiteitenbesluit wordt aangegeven wanneer bodemonderzoek moet worden uitgevoerd naar de kwaliteit van de bodem. Er zijn een drietal momenten aan te wijzen wanneer bodemonderzoek voor een inrichting met bodembedreigende activiteiten verplicht is: 1) bij de oprichting van een inrichting, 2) bij de wijziging van een inrichting en 3) bij de beëindiging van een inrichting.5 Voor Opslag in ondergrondse tanks geldt het volgende: Opslag van vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in ondergrondse tanks, waaronder opslag van huisbrandolie bij particulieren in een hoeveelheid van meer dan 1 m3, wordt beschouwd als een inrichting (bedrijfsmatige activiteit) zoals bedoeld in de Wet milieubeheer en valt onder het regime van het Activiteitenbesluit (voorheen het Besluit Opslaan in Ondergrondse Tanks; hierna BOOT). Het verwijderen en onklaar maken van deze tanks bij het beëindigen van de opslag moet volgens de regels van het Activiteitenbesluit gebeuren. Echter, indien voor 1 maart 1993 (= datum inwerkingtreding BOOT) de vloeistof uit de tank is verwijderd en de tank onklaar is gemaakt, geldt deze verwijderingsplicht niet. De verwijderingsplicht geldt ook niet voor tanks die door een KIWA-erkend bedrijf voor 1 januari 1999 zijn gesaneerd (schoongemaakt). Verwijdering van deze tanks kan door de gemeente alleen nog maar gemotiveerd worden afgedwongen op grond van de zorgplicht van artikel 13 van de Wet bodembescherming, wanneer er een vermoeden bestaat van (mogelijke) bodemverontreiniging ten gevolge van de nog aanwezige tank. Indien uit een bodemonderzoek blijkt dat de bodem, als gevolg van de activiteiten in de inrichting is aangetast of verontreinigd, draagt degene die de inrichting drijft, er zorg voor dat de bodemkwaliteit wordt hersteld. Nederlandse richtlijn bodembescherming De NRB is een instrument voor de beoordeling van de noodzaak en redelijkheid van bodembeschermende maatregelen. De NRB is een richtlijn voor de vergunningverlening en geen wet. Wel is de NRB een richtlijn waarmee het bevoegd gezag bij het verlenen van een omgevingsvergunning (activiteit milieu) of het beoordelen van een melding rekening moet houden. Toepassing van de NRB is niet vrijblijvend, maar er kan gemotiveerd worden afgeweken van de NRB. Het uitgangspunt van de NRB is om door een doelmatige combinatie van maatregelen en voorzieningen een verwaarloosbaar bodemrisico te realiseren. Kan een verwaarloosbaar bodemrisico niet gerealiseerd worden dan kan het bevoegd gezag in sommige gevallen een aanvaardbaar bodemrisico accepteren. In bestaande situaties moet er uitzicht zijn op een acceptabele beperking van het risico. Als het bevoegd gezag afziet van het voorschrijven van maatregelen om reden van bijvoorbeeld een dreigend faillissement, dan moet het rekening houden met de mogelijke consequenties: met het gedogen van een risicovolle situatie accepteert het bewust een kans op bodemverontreiniging en daarmee een mogelijke kostenpost voor het bevoegd gezag zelf (als vangnet): het betreffende bedrijf zal de kosten voor een eventuele bodemsanering immers evenmin kunnen betalen. Wet bodembescherming Ook in de Wet bodembescherming (artikel 13) is de zorgplicht opgenomen. Dit houdt in dat: “iedereen die handelingen op of in de bodem verricht en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien de verontreiniging of aantasting zich voordoet, de bodem te saneren of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.” Besluit bodemkwaliteit In het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) staan de kwaliteitseisen waaraan bouwstoffen, grond en baggerspecie moeten voldoen wanneer deze op of in de bodem of in oppervlaktewater worden toegepast. Ook zijn er regels opgenomen over de kwaliteit van de uitvoering (Kwalibo). Zo moeten bodemonderzoeken conform het Bbk door een gecertificeerd erkend bedrijf / persoon worden uitgevoerd. In de Regeling bodemkwaliteit is een lijst met werkzaamheden opgenomen die alleen met een erkenning mogen worden uitgevoerd (artikel 2.1 van de Regeling). Voorbeeld hiervan is de uitvoering van “veldwerk” of de “milieukundige begeleiding” bij saneringen. De kwaliteitseisen zijn vastgelegd in beoordelingsrichtlijnen, protocollen en andere normdocumenten. Voor veldwerkzaamheden zijn deze kwaliteitseisen vastgelegd in de BRL SIKB 2000 (onder andere protocol 2001 en protocol 2002). Het bevoegd gezag mag alleen gegevens accepteren van erkende bedrijven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel