Naar hoofdinhoud
De bodemtoets bij ruimtelijke plannen kan worden uitgevoerd via de volgende stappen: Figuur 1: Stappenplan bodemtoets bij ruimtelijke plannen Stap 1: Wat is de huidige en wat is de toekomstige functie? De huidige en de geplande toekomstige functie(s) van het plangebied worden bepaald aan de hand van het bestemmingsplan (oud en nieuw). Afhankelijk van de functie worden eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem en aan eventueel (her)gebruik van grond of bagger die kan worden toegepast. Stap 2: Wat is de huidige bodemsituatie? De kwaliteit van de bodem op een locatie wordt bepaald door de diffuse bodemkwaliteit. Deze is vastgelegd in de door de gemeente vastgestelde bodemkwaliteitskaart (BKK). Als de bestaande bodeminformatie ontoereikend is en er met onvoldoende zekerheid kan worden bepaald of sprake is van een verdachte locatie (met een mogelijk geval van ernstige verontreiniging) moet een vooronderzoek conform NEN5725 worden uitgevoerd, meestal gevolgd door een bodemonderzoek conform NEN 5740. Voor een bestemmingsplan dat enkel wordt geactualiseerd en waar de bebouwing en inrichting gehandhaafd blijft, is het doorlopen van deze stap (toetsing aan de BKK) meestal afdoende. Het aantreffen van een verontreiniging bij een bestemmingsplanprocedure leidt in dat geval niet tot aanvullend bodemonderzoek of sanering. Pas op het moment dat hier daadwerkelijk ontwikkeling plaatsvindt, zijn de vervolgstappen van belang. Stap 3: Voldoet de kwaliteit aan de toetsing? Aan de hand van de diffuse bodemkwaliteit en eventueel aanwezige lokale verontreinigingen (puntbronnen) wordt nagegaan of de bodemkwaliteit voldoet aan de normen die behoren bij de toekomstige functies in het plangebied. Vervolgens worden de gegevens uit het onderzoek getoetst aan de criteria in de Circulaire bodemsanering, om te bepalen in hoeverre sprake is van ernstige bodemverontreiniging en of er onaanvaardbare risico’s aanwezig zijn. Aan de hand van de Circulaire bodemsanering wordt bepaald of het saneringscriterium wordt overschreden en of de verontreiniging met spoed gesaneerd moet worden. Op basis hiervan moet worden bepaald of en op welke wijze er (actief) gesaneerd moet worden of dat er volstaan kan worden met beheersmaatregelen. Er kunnen twee situaties worden onderscheiden: Er is geen sprake van een geval van (ernstige) bodemverontreiniging in de zin van de Wbb. Daarnaast is de huidige diffuse bodemkwaliteit vergelijkbaar of schoner dan de lokale/regionale vastgestelde bodemkwaliteit (die is vastgesteld in de BKK). Dit betekent dat er geen belemmering is voor het toekomstig gebruik. De uitkomsten van de bodemtoets worden beschreven in de bodemparagraaf bij het bestemmingsplan. Er is wel sprake van een geval van (ernstige) bodemverontreiniging in de zin van de Wbb of een diffuse bodemkwaliteit is slechter dan de lokaal vastgestelde bodemkwaliteit. De aanwezigheid van een lokale verontreiniging, als gevolg van een puntbron, kan bij de realisatie van het bestemmingsplan aanleiding zijn voor het uitvoeren van sanering. Hiermee wordt rekening gehouden bij de toetsing van de financiële haalbaarheid van het plan (zie volgende punt). Stap 4: Is het plan financieel haalbaar? De kosten van de sanering van de bij de realisatie van het voorgenomen bestemmingsplan vrijkomende (diffuus) verontreinigde grond (zoals bij de aanleg van wegen en de bouw van huizen) wordt in de exploitatie van het bestemmingsplan opgenomen. Indien het voornamelijk gaat om diffuus verontreinigde grond is het vooral van belang om in de planfase rekening te houden met het streven naar een gesloten grondbalans. Daarvoor moeten vraag- en aanbod van grondstromen in kaart worden gebracht. Als er sprake is van een lokale verontreiniging, dan moeten de saneringskosten in de exploitatieopzet van het bestemmingsplan zijn verwerkt. Het gaat om het identificeren en kwantificeren van de (financiële) risico’s. Daarnaast kan de gemeentelijke bodemadviseur advies uitbrengen over uitgangspunten die meegenomen kunnen worden in het ontwerp om tot een efficiënte oplossing te komen voor de omgang met verontreinigde bodem. Procedurele vereisten Bij de vaststelling van het bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. In de toelichting van het bestemmingsplan wordt vermeld wat de overwegingen zijn geweest met betrekking tot de functie die wordt toegestaan en de bodemkwaliteit. Relatie met exploitatieplan of anterieure overeenkomst In artikel 6.12 Wro is geregeld dat de kosten van nieuwe ontwikkelingen moeten worden verhaald op de grondeigenaar. Hiervoor stelt de gemeente een exploitatieplan op. De kosten van bodemonderzoek en –sanering kunnen in het exploitatieplan worden opgenomen (artikel 6.2.4 onder a en b Bro). Het opstellen van een exploitatieplan is verplicht, tenzij de kosten anderszins kunnen worden verhaald, bijvoorbeeld via een privaatrechtelijke overeenkomst.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel