Naar hoofdinhoud
De Ww verplicht gemeenten om in hun bouwverordening voorschriften op te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem.7 Zie artikel 8 Woningwet. Deze voorschriften dienen in ieder geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar de aard en de mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op de inrichting van het op te stellen onderzoek. Onze gemeente heeft deze verplichting uitgewerkt in artikel 2.1.5 van de bouwverordening. De expliciete bevoegdheid om een nader bodemonderzoek bij een bouwaanvraag te verlangen is komen te vervallen bij de inwerkingtreding van de Wabo. Ondanks dat, is het nog steeds mogelijk om binnen de procedure van een omgevingsvergunning een nader bodemonderzoek te verlangen indien er op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek sprake is van een redelijk vermoeden van ernstige bodemverontreiniging. De overschrijding van de indexwaarde geldt hierbij als richtlijn voor het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Het uitvoeren van een nader bodemonderzoek is echter niet altijd noodzakelijk en zinvol. In hoeverre vervolgonderzoek zinvol is, is afhankelijk van het doel van het onderzoek, maar ook van de eventuele aanwezigheid van verhoogde achtergrondgehalten in de omgeving van de locatie. Is op grond van de BKK bekend dat de locatie ligt in een bodemkwaliteitszone met verhoogde achtergrondgehalten (gebiedsspecifieke waarden) waarbij de tussenwaarde wordt overschreden, dan is het uitvoeren van een nader bodemonderzoek meestal niet nodig. De gemeten gehalten moeten dan wel lager zijn dan de achtergrondgehalten van dat betreffende gebied. Dat betekent tevens dat het ook niet nodig is om de afzonderlijke monsters van een mengmonster te analyseren (uitsplitsen mengmonster). Om te bepalen of de aangetroffen verontreiniging beneden het achtergrondgehalte ligt, moet het gehalte getoetst worden aan de vastgestelde percentielwaarde van de bodemkwaliteitszone waarin de onderzoekslocatie is gelegen. Deze waarden zijn te vinden in de BKK. Als het gemeten gehalte boven het achtergrondgehalte ligt, is er mogelijk toch sprake van een verontreiniging veroorzaakt door een puntbron. Een nader bodemonderzoek moet dan (eventueel afhankelijk van het resultaat van uitsplitsing) wel uitgevoerd worden. Als uit het bodemonderzoeksrapport of op basis van andere gegevens de conclusie kan worden getrokken dat er vermoedelijk sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, dan treedt de vergunning op grond van artikel 6.2c Wabo (bijlage V van de Wabo) vanwege de bodemaspecten niet eerder in werking dan nadat: door het bevoegd gezag Wbb (op grond van de artikelen 29 juncto 37 Wbb) is vastgesteld dat geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is en het desbetreffende besluit in werking is getreden; en/of door het bevoegd gezag Wbb (op grond van artikel 39 Wbb) met het saneringsplan is ingestemd en het desbetreffende besluit in werking is getreden; of een BUS-melding is gedaan en de termijn waarna men mag starten (vijf weken na de melding) is verstreken. De gemeente neemt in de overweging van de omgevingsvergunning op dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en vermeldt dat de vergunning nog niet in werking treedt. In figuur 3 is schematisch weergegeven hoe het proces verloopt inzake een nader bodemonderzoek. Zodra aan één van de drie bovenstaande mogelijkheden is voldaan, kan de omgevingsvergunning (voor wat betreft het aspect bodem) in werking treden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel