Naar hoofdinhoud
Soort bodemonderzoek Als bij een bouwaanvraag een bodemonderzoek wordt verlangd, dan moet dit onderzoek volgens een vastgesteld protocol worden uitgevoerd. Artikel 2.1.5 van onze Bouwverordening geeft aan dat het verkennende bodemonderzoek wordt verricht volgens het protocol NEN 5740/5707. Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieu-hygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd (ook wel historisch bodemonderzoek genoemd) ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Als er op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat om te vermoeden dat asbest in de bodem aanwezig is, dient tevens een onderzoek plaats te vinden conform NEN 5707. Vooronderzoek (historisch bodemonderzoek) Voorafgaand aan de uitvoering van het feitelijk verkennend bodemonderzoek wordt een vooronderzoek (historisch bodemonderzoek) uitgevoerd conform NEN 5725. Het vooronderzoek maakt deel uit van de NEN 5740. De resultaten van het vooronderzoek kunnen worden gerapporteerd in de rapportage van het verkennend bodemonderzoek. Het vooronderzoek bestaat voornamelijk uit het verzamelen van informatie over het vroegere, huidige en toekomstige gebruik van de onderzoekslocatie en de directe omgeving (naastgelegen percelen tot een afstand van 25 meter), vooral gericht op potentiële bronnen van bodemverontreiniging en informatie over de bodemopbouw en geohydrologie. Op basis van het vooronderzoek wordt een aanname (hypothese) gemaakt over de te verwachten verontreinigingssituatie van de bodem (grond en grondwater), aan de hand waarvan de onderzoeksstrategie van het verkennend bodemonderzoek wordt bepaald. Indien het vooronderzoek niet zorgvuldig wordt uitgevoerd en een verkeerde onderzoeksstrategie wordt gekozen, bestaat de kans dat bij het feitelijke onderzoek verontreinigingen worden gemist, waardoor er geen goed beeld wordt verkregen van de kwaliteit van de bodem op een locatie. Ten behoeve van het vooronderzoek moet altijd de gemeente worden geraadpleegd met betrekking tot de bij haar bekende informatie.8 De gemeente kan kosten in rekening brengen voor het verstrekken van bodeminformatie. Voor de hoogte van deze kosten wordt verwezen naar de thans geldende legesverordening. Als de gemeente niet is geraadpleegd ten behoeve van het vooronderzoek, en hierdoor relevante informatie is gemist, bestaat er een gerede kans dat het vooronderzoek als onvoldoende wordt beschouwd. Het bodemonderzoek zal dan niet worden geaccepteerd en goedgekeurd door de gemeente. Beoordeling opzet bodemonderzoek Voorafgaand aan de daadwerkelijke uitvoering van het bodemonderzoek kan bij de gemeente worden gevraagd om een beoordeling van de onderzoeksopzet. Om discussie achteraf over de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd te voorkomen, wordt aanbevolen om vooraf een onderzoeksopzet aan de gemeente te overleggen. In deze onderzoeksopzet zijn de verdachte deellocaties opgenomen, met voor elke deellocatie de verdachte stoffen. Per verdachte deellocatie wordt aangegeven hoeveel boringen/peilbuizen er worden geplaatst en tot welke diepte en welke grond- en/of grondwatermonsters worden geanalyseerd en op welke stoffen. Als er van de voorgeschreven norm wordt afgeweken, dan wordt dit goed gemotiveerd aangegeven in de onderzoeksopzet. De onderzoeksopzet is verder voorzien van een boorplan, met daarop aangegeven de geplande locatie van de boringen en de peilbuizen. Het minimale aantal boringen per (deel)locatie staat beschreven in de NEN5740. In de NEN 5707 staat beschreven het aantal gaten / sleuven. De gemeente kan kosten in rekening brengen voor het verstrekken van bodeminformatie en het beoordelen van een bodemonderzoek. Voor de hoogte van deze kosten wordt verwezen naar de thans geldende legesverordening. Afbakening onderzoekslocatie Bij een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt minimaal het te bebouwen terreingedeelte onderzocht. Daarnaast wordt geadviseerd ook het overige deel van de bouwkavel te onderzoeken, voor zover sprake is van mogelijke blootstelling van de gebruikers aan verontreinigende stoffen in de bodem. Erkenning uitvoeren bodemonderzoek Het bodemonderzoeksrapport is gebaseerd op veldonderzoek dat is uitgevoerd door een persoon of instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit. 9 Zie www.rwsleefomgeving.nl voor de erkende bodemintermediairs. Termijn indienen bodemonderzoek De gemeente kan toestemming verlenen om het bodemonderzoek binnen een termijn van drie weken voor de start van de aangevraagde activiteit in te dienen als de aard van het bouwplan hier aanleiding toe geeft. 10 Zie hiervoor art. 2.7, lid 3 Mor. Van deze mogelijkheid tot uitgestelde indiening maakt de gemeente in principe geen gebruik vanwege de relatief beperkte tijd voor de beoordeling van het bodemonderzoeksrapport. Een bodemonderzoeksrapport wordt in principe als direct indieningsvereiste beschouwd. Bodemonderzoek en slopen Als een bodemonderzoeksrapport wordt verlangd, maar het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, bevat artikel 2.1.5 lid 5 van de Bouwverordening het voorschrift dat het bodemonderzoek moet plaatsvinden nadat er is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Het verdient dus de voorkeur om het bodemonderzoek na de sloop uit te voeren. Als er toch voor het slopen een bodemonderzoek conform NEN5740 is uitgevoerd, dan wordt na de sloop een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd ter controle op de bodemverontreiniging als gevolg van de sloopactiviteiten. Indien het gebouw voor 1994 is gebouwd, dan is onderzoek naar de aanwezigheid van asbest een aandachtspunt. Een compleet onderzoek conform NEN5740 zal in de regel niet nodig zijn: Er kan volstaan worden met een (grond-)onderzoek gericht op de bovenste halve meter. Geldigheidsduur bodemonderzoek Er worden eisen gesteld aan de geldigheidsduur van een bodemonderzoek. De actualiteitswaarde van de onderzoeksresultaten bedraagt in beginsel maximaal twee jaren. De volgende paragraaf gaat nader in op het gebruik van bestaande onderzoeksgegevens.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel