De gemeente heeft de bevoegdheid om in bepaalde gevallen af te wijken van de bodemonderzoeksplicht. Hierbij gaat het om de volgende situaties:
indien bruikbare en recente onderzoeksgegevens voorhanden zijn (artikel 2.1.5, lid 3 bouwverordening en artikel 4.4, lid 2 Bor) of
bij tijdelijke bouwwerken (artikel 2.1.5, lid 4 bouwverordening).
De mogelijkheid om geen onderzoeksgegevens op te vragen wordt geboden door artikel 4.4, lid 2 van het Bor. De afwijking van onderzoeksplicht moet opgenomen worden in de overweging van de omgevingsvergunning. Het is geen afzonderlijk besluit tot het afwijken, geen beschikking. De Wabo is er immers opgericht om alles in één vergunning te regelen.
3.4.1. Bruikbare recente onderzoeksresultaten
Wanneer is een onderzoek nog bruikbaar en recent? In artikel 3.1a van de Wabo is bepaald dat het bevoegd gezag bij het verlenen van een omgevingsvergunning zich in ieder geval kan baseren op gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan 2 jaren. Door de kan-bepaling is het mogelijk om ook gegevens en / of onderzoeken ouder dan 2 jaren te gebruiken.
Actualiteitswaarde
De actualiteitswaarde van de resultaten van een bodemonderzoek bedraagt in beginsel maximaal 2 jaren. Eén en ander is afhankelijk van de aard en mate van de verontreiniging en het bodemgebruik na het uitvoeren van het onderzoek. Het afwijken van de plicht tot het indienen van een nieuw bodemonderzoek is mogelijk als het gebruik van de onderzochte locatie nog steeds hetzelfde is, dan wel vergelijkbaar is met het gebruik ten tijde van het onderzoek en uit de historische informatie blijkt dat in de tussenliggende periode geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden (onder andere geen veranderd gebruik). Wanneer er in de achterliggende vijf jaren (vanaf de datum van indiening van de bouwaanvraag) bodembedreigende activiteiten op het terrein hebben plaatsgevonden, dan is dit voor de gemeente aanleiding om een nieuw c.q. recent bodemonderzoek conform NEN5740 te vragen. Uit de resultaten van dit onderzoek zal vervolgens moeten blijken of deze activiteiten hebben geleid tot enige vorm van bodemverontreiniging en of dit leidt tot de plicht om deze verontreiniging te saneren.
Eenmalige verlenging bestaande geldigheid op basis van vooronderzoek of kennisdocument
De gemeente hanteert het uitgangspunt dat een bodemonderzoek dat is uitgevoerd conform NEN 5740 in beginsel een geldigheidsduur heeft van twee jaar. De actualiteitswaarde van een onderzoek kan na twee jaar eenmalig worden verlengd met een periode van drie jaar (gerekend vanaf de dag datum rapport (verkennend) onderzoek conform NEN 5740), mits de aard van de bodemkwaliteit dit toelaat en door de aanvrager een vooronderzoek conform NEN 5725 wordt uitgevoerd. Als uit het vooronderzoek blijkt dat er op de locatie geen activiteiten hebben plaatsgevonden die mogelijk hebben kunnen leiden tot bodemverontreiniging, dan wordt op basis hiervan afgeweken van de plicht om een bodemonderzoek in te dienen. In een dergelijk geval is de actualiteitswaarde van een bodemonderzoek maximaal tien jaar. Echter, indien uit dit vooronderzoek blijkt dat er activiteiten hebben plaatsgevonden die mogelijk tot bodemverontreiniging hebben geleid, dan moet volledig onderzoek worden uitgevoerd conform NEN 5740. De verlenging van de actualiteitswaarde van het bodemonderzoek is ook mogelijk als er een kennisdocument van het perceel is opgesteld. Omdat een kennisdocument uit verschillende bodemonderzoeken kan bestaan, wordt als voorwaarde gehanteerd dat de verlenging van de actualiteitswaarde geldt voor het bodemonderzoek dat betrekking heeft op de locatie waarvoor de bouwaanvraag is ingediend.
Bruikbare gegevens (vooronderzoek in combinatie met de BKK)
Wanneer het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan de gemeente besluiten om af te wijken van de verplichting tot het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek. In bijlage B van NEN5725 is een aantal activiteiten opgenomen die mogelijk kunnen leiden tot bodemverontreiniging. Het betreft geen limitatieve opsomming van activiteiten. Uit de lijst valt af te leiden dat bijna iedere activiteit die op een locatie heeft plaatsgevonden een mogelijk verontreinigende activiteit is. Omdat bijna niet valt aan te tonen dat op een locatie geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, kan al snel worden aangenomen dat er sprake is van een verdachte locatie indien een activiteit op een locatie heeft plaatsgevonden. 11 Of er bodem verontreinigende activiteiten op een locatie hebben plaatsgevonden, zal mede worden beoordeeld aan de hand van de beschikbare gegevens binnen de gemeente. Hierbij moet onder andere worden gedacht aan de digitale bodeminformatiesystemen, uitgevoerde bodemonderzoeken, verleende vergunningen op basis van de Wet milieubeheer en de Wabo enzovoort. De BKK doet een uitspraak over de gemiddelde bodemkwaliteit van een groot gebied op basis van een beperkt aantal waarnemingen. De BKK biedt onvoldoende zekerheid om de bodemtoets uit te voeren op een gegeven perceel omdat het risico op een historische onbekende verontreiniging te groot wordt geacht. De combinatie van vooronderzoek en de BKK kan door de gemeente in bepaalde gevallen als bruikbaar worden beschouwd. Een verkennend onderzoek is niet nodig indien:
uit het vooronderzoek (conform NEN5725) blijkt dat de onderzoekslocatie niet (asbest)verdacht is en
dat de locatie valt binnen de bodemkwaliteitszones ‘AW2000’ of ‘wonen’.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.4.