Uitgangspunt van het bodembeleid is dat de bodemrisico’s van bedrijfsmatige activiteiten door doelmatige maatregelen en voorzieningen tot een verwaarloosbaar risico worden beperkt. Het zorgplichtbeginsel van de Wbb en de Wm maakt dat de exploitant/vergunninghouder de door hem veroorzaakte bodemverontreiniging moet herstellen (herstelplicht) en aansprakelijk is voor de kosten van bodemherstel. Veel bedrijfsmatige activiteiten vallen geheel of gedeeltelijk onder de werkingssfeer van algemene landelijke milieuregels, zoals het Activiteitenbesluit. Uitgezonderd van het Activiteitenbesluit zijn inrichtingen met GBPV-installaties. 12 Hiermee wordt een Integrated Pollution, Prevention and Control (IPPC)-installatie bedoeld. In Nederlandse bewoordingen betekent dit geïntegreerde bestrijding en preventie van verontreiniging (GBPV). Voor een beperkt aantal bedrijven geldt een omgevingsvergunningplicht op basis van de Wabo / Wm.
4.1.1. Activiteitenbesluit
Op grond van artikel 2.11 van het Activiteitenbesluit zijn er een drietal momenten dat bodemonderzoek verplicht is:
Wanneer een inrichting wordt opgericht en binnen die inrichting bodembedreigende activiteiten worden uitgevoerd. De resultaten van het bodemonderzoek worden binnen drie maanden na oprichting van de inrichting toegezonden aan het bevoegd gezag. 13 Bij (agrarische) IPPC-inrichting moet een nulsituatie onderzoek direct bij de aanvraag / melding toegezonden worden (2.8.b lid 2 Activiteitenbesluit milieubeheer).
Wanneer een inrichting of activiteit binnen een inrichting zodanig wijzigt dat de actuele bodemkwaliteit bekend moet zijn, kan het bevoegd gezag een bodemonderzoek verlangen. Het bevoegd gezag stelt dit met een ‘maatwerkvoorschrift’ vast, zijnde een besluit.
Wanneer een dergelijke inrichting wordt beëindigd, of de IPPC-installatie, of na beëindiging van het opslaan van een vloeibare brandstof, afgewerkte olie of pekel in een ondergrondse tank. De resultaten van het bodemonderzoek worden binnen zes maanden na beëindiging van de inrichting of de beëindiging van opslag in een ondergrondse tank verzonden aan het bevoegd gezag.
Nul- en eindsituatie
Het bodemonderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan, of zo spoedig mogelijk na, de start van de betreffende activiteit(en). Na het beëindigen van de betreffende activiteit moet met een vergelijkbaar eindsituatie bodemonderzoek de bodemkwaliteit worden vastgelegd. Het nulsituatiebodemonderzoek heeft tot doel het referentieniveau van de feitelijke bodemkwaliteit (grond en grondwater) vast te leggen. Daarmee wordt een toetsingsgrondslag verkregen met het oog op mogelijk toekomstige bodemverontreiniging. Met het nulsituatiebodemonderzoek wordt de actuele bodemsituatie op de plaats van de bodembedreigende activiteiten binnen de inrichting (het bedrijfsterrein) in kaart gebracht, waarbij het onderzoek zich richt op de afzonderlijke activiteiten en de aldaar gebruikte stoffen.
Wijzigen inrichting
Relevante wijzigingen van een inrichting die een bodemonderzoek noodzakelijk kunnen maken, en daarmee een maatwerkvoorschrift, zijn bijvoorbeeld:
wijzigingen in het productieproces;
het (bij)plaatsen van een bodembedreigende activiteit;
het verplaatsen van een bodembedreigende activiteit naar een ander deel van de inrichting;
het op een andere plaats binnen de inrichting vullen en legen van vaten;
het vergroten van de opslag van bodembedreigende stoffen (hierbij moet wel sprake zijn van een substantiële vergroting waardoor de eerder vastgelegde nulsituatie niet meer afdoende is).
De bovenstaande lijst is niet volledig, maar biedt slechts een handreiking.
4.1.2. Wet milieubeheer
De omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit milieu wordt ten aanzien van preventieve bodembescherming getoetst aan de NRB. Op basis van de NRB voert aanvrager een bodemrisicoanalyse uit om zo de aard en de mate van bodembedreigende activiteiten te bepalen. Als sprake is van bodembedreigende activiteiten, dan is in het merendeel van de gevallen het uitvoeren van een bodemonderzoek verplicht. In de vergunning dienen zowel voorschriften voor het vastleggen van de nulsituatie als voor het uitvoeren van de eindsituatie te worden opgenomen. Bij actualisatie van omgevingsvergunning voor de activiteit milieu kan om een nulsituatiebodemonderzoek worden gevraagd als er binnen de inrichting nieuwe bodembedreigende activiteiten plaatsvinden.
Herhalingsonderzoek
In de vergunning kan worden opgenomen dat periodiek een herhalingsonderzoek moet worden uitgevoerd. Dit gebeurt als wordt verwacht dat de tijdspanne tussen nul- en eindsituatieonderzoek onacceptabel groot is (>10 jaar). Het herhalingsonderzoek maakt vroegtijdig ingrijpen door de - dan nog - actieve inrichting mogelijk bij onverhoopte verontreiniging van de bodem. De locatie (bodemtype), de mobiliteit van de bodembedreigende stoffen en het verspreidingsrisico spelen een rol bij de keuze voor een herhalingsfrequentie. Per geval wordt beoordeeld of het nodig is om een herhalingsbodemonderzoek voor te schrijven in de omgevingsvergunning.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.1.