Een persoon als bedoeld in artikel 1.1.g., onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 3.5. en 3.6. bedoelde vervoersvoorziening in aanmerking worden gebracht indien beperkingen:

  • - het gebruik van het openbaar vervoer of
  • - het bereiken van het openbaar vervoer

onmogelijk maken.